D66 partijgeschiedenis

Door Menno van der Land


geschiedenis

Op 15 september 1966 presenteerde een groep van 36 personen, zichzelf aanduidend als het ‘Initiatiefcomité D’66’, in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag het Appèl aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie. Onder leiding van de journalist Hans van Mierlo deed het Initiatiefcomité voorstellen voor een vergaande democratisering van politiek en samenleving. Op grond van de reacties op het initiatief werd op 20 oktober 1966 de politieke partij Democraten ’66 (D’66, vanaf 1985 D66) opgericht. Met Van Mierlo als lijsttrekker won D66 bij de Tweede Kamerverkiezingen in februari 1967 zeven zetels, waarmee de nieuwe partij de voorpagina van de New York Times haalde.

De nieuwe partij was de status van beweging nog maar net ontstegen en een revolutie ontketenen bleek niet eenvoudig. Vanaf 1971 zochten de Democraten daarom naar samenwerking met andere progressieve partijen om een parlementaire meerderheid te vormen. Met de PvdA en de PPR werd gestreefd naar de vorming van een Progressieve Volkspartij. Deze koers leverde D66 bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1971 nog vier zetels winst op. Voor de vervroegde Kamerverkiezingen in 1972 presenteerden de drie progressieve partijen een gezamenlijk programma, Keerpunt ’72, maar D66 kampte met een gebrek aan zichtbaarheid en herkenbaarheid en verloor vijf van de elf Kamerzetels. Ondanks het verlies nam D66 voor het eerst in haar bestaan deel aan een regering: het kabinet-Den Uyl.

Nadat de PvdA begin 1973 een einde had gemaakt aan de progressieve samenwerking, nam de interne verdeeldheid binnen D66 toe en ging het snel bergafwaarts met de partij. Een deel van de partij zag niets in de progressieve samenwerking. Van Mierlo verloor steeds meer steun voor zijn ‘krankzinnige avontuur’ en na de formatie van het kabinet-Den Uyl trad hij af.  Kinderboekenschrijver Jan Terlouw volgde hem op. De verandering in het politiek leiderschap betekende een belangrijke koerswijziging voor D66. Terlouw nam afstand van de progressieve samenwerking en benadrukte het eigen karakter van D66. Hij wist het tij voor D66 echter niet te keren. Op een emotioneel partijcongres in september 1974 werd een motie om de partij op te heffen met ruime meerderheid aangenomen, zonder de benodigde twee derde meerderheid te halen.

Na het partijcongres in 1974 viel de partij nagenoeg stil. Maar nadat D66-staatssecretaris Jan Glastra van Loon in mei 1975 was afgetreden, richtte hij zich samen met Terlouw op de wederopbouw van D66. Het duo wist de partij nieuw leven in te blazen en positioneerde D66 als ‘vierde stroming’ in de Nederlandse politiek. In 1976 maakte partijleider Terlouw onverwacht bekend niet langer beschikbaar te zijn voor het lijsttrekkerschap van D66. Een succesvolle handtekeningenactie haalde hem echter over om aan te blijven. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van mei 1977 haalde de partij die eerder op sterven na dood was, acht zetels.

De verkiezingsleus ‘het redelijk alternatief’ werd het visitekaartje van D66 en met succes: bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1981 werden de Democraten met zeventien zetels groter dan ooit. D66 nam met CDA en PvdA deel aan het tweede kabinet-Van Agt, dat binnen een jaar echter alweer ten val zou komen. De sociaaldemocraten stapten op, waarna het derde kabinet-Van Agt bestaande uit CDA en D66 de vervroegde Kamerverkiezingen voorbereidde. D66 kwam zwaar onder vuur te liggen omdat ze verder regeerde zonder de PvdA. Nadat de partij bij de Tweede Kamerverkiezingen in september 1982 was teruggevallen naar zes zetels, trad Terlouw af als partijleider. Hij werd opgevolgd door het Tweede Kamerlid Maarten Engwirda. Voor de tweede keer in haar bestaan verkeerde D66 in een crisis.

In januari 1985 kondigde Hans van Mierlo aan bereid te zijn opnieuw het lijsttrekkerschap van D66 op zich te nemen. In Een reden van bestaan zette hij het bestaansrecht van D66 uiteen. Met Van Mierlo keren de staatsrechtelijke idealen terug op de partij-agenda. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van mei 1986 behaalde D66 onder zijn aanvoering negen zetels. Vanuit de oppositie profileerde de partij zich als tegenstander van de heersende politieke cultuur, die teveel om de machtsvraag zou draaien en waar ideologische scheidslijnen oplossingen voor actuele problemen in de weg zouden staan.

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1989 werd deze koers beloond met twaalf zetels. Vervolgens werd D66 buiten de formatie van het derde kabinet-Lubbers gehouden. Vanuit de oppositie groeide de partij gestaag verder. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1994 boekte D66 een historische verkiezingsoverwinning; de partij steeg van twaalf naar 24 zetels. Door deze zege, in combinatie met het historische verlies van het CDA, was voor D66 een centrale rol weggelegd bij de coalitiebesprekingen. Na een langdurige formatie kwam het door Van Mierlo zo vurig gewenste ‘paarse’ kabinet van PvdA, VVD en D66 tot stand. Voor het eerst sinds 1918 werden de confessionelen buiten de regering gehouden.

Niets leek voor D66 een succesvolle regeerperiode in de weg te staan, maar het liep anders. De bewindslieden van D66 stonden regelmatig bloot aan kritiek en de partij had er moeite mee om haar eigen, vaak genuanceerde standpunten duidelijk over het voetlicht te brengen. In 1997 maakte Van Mierlo bekend dat hij afzag van het lijsttrekkerschap bij de volgende Kamerverkiezingen. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Els Borst nam deze positie van hem over, maar nadat D66 bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1998 tien zetels had verloren, droeg ze het partijleiderschap over aan Thom de Graaf. Hoewel D66 getalsmatig niet nodig was voor een Kamermeerderheid, nam de partij toch deel aan het tweede paarse kabinet. In mei 1999 sneuvelde het voor D66 zo belangrijke wetsvoorstel voor de invoering van het correctief referendum tijdens de ‘nacht van Wiegel’. D66 stapte uit het kabinet, maar de breuk zou al snel worden gelijmd. Vanaf dat moment komt het niet meer goed met de beeldvorming rond D66. Voor de kiezers speelde de partij nauwelijks nog een rol van betekenis.

In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen in mei 2002 ageerde de politieke nieuwkomer Pim Fortuyn succesvol tegen ‘acht jaar paars’. Alle gevestigde partijen verloren fors, D66 werd gehalveerd en hield zeven Kamerzetels over. Na twee regeerperiodes ging de partij weer de oppositie in. De verkiezingsnederlaag dreunde binnen D66 nog lang na. Maandenlang was het onrustig binnen de partij. In de publieke opinie vond de genuanceerde houding van de democraten in deze periode weinig gehoor en als kleine partij verdween D66 buiten beeld. Binnen de partij raakte de positie van partijleider De Graaf ter discussie, waardoor het beeld van een partij in verwarring ontstond.

Na de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen in januari 2003, waarbij D66 opnieuw een zetel verloor, trok De Graaf zich terug als partijleider. De Tweede Kamerfractie wees Boris Dittrich aan als nieuwe voorzitter. Nadat de PvdA en het CDA het in de kabinetsformatie niet eens waren geworden, ging het CDA in zee met de VVD en D66. Dittrich verkoos een rol als junior-coalitiepartner boven een marginale rol in de oppositie. Bij een deel van de achterban leidde het vooruitzicht van een centrum-rechtse coalitie echter tot grote ongerustheid. Op een speciaal partijcongres in Rotterdam probeerde de partijtop de achterban over te halen met de regeringsdeelname in te stemmen, wat pas aan het eind van het congres lukte toen D66-godfather Van Mierlo zijn steun voor regeringsdeelname uitsprak. D66 trad vervolgens toe tot het derde kabinet-Balkenende en was voor de vijfde keer in haar bestaan regeringspartij. Het was de eerste keer dat de partij regeerde zonder PvdA (afgezien van het kortstondige derde interim-kabinet-Van Agt). D66 kreeg het al snel moeilijk: voor veel sociaaleconomische hervormingen van het centrum-rechtse kabinet bestond weinig maatschappelijke steun en binnen de partij brokkelde het draagvlak voor het kabinet snel af.

In de nacht van 23 maart 2005 lukte het minister voor Bestuurlijke Vernieuwing De Graaf niet om in de Eerste Kamer een meerderheid te vinden voor zijn wetsvoorstel voor de invoering van de gekozen burgemeester. De Graaf wilde zich vervolgens richten op het eveneens bij de kabinetsformatie afgesproken nieuwe kiesstelsel, maar fractievoorzitter Dittrich wenste de regeringsdeelname van D66 niet op het spel te zetten voor de staatsrechtelijke speerpunten van zijn partij. Dit was voor De Graaf aanleiding om af te treden. In korte tijd kwamen CDA, VVD en D66 tot een aanvullend regeerakkoord, het ‘Paasakkoord’ geheten. Op een speciaal partijcongres, dat live op televisie wordt uitgezonden, ging de achterban uiteindelijk toch akkoord. Partijvoorzitter Alexander Pechtold volgde De Graaf op als minister voor Bestuurlijke Vernieuwing.

Na de ‘Paascrisis’ probeerde Dittrich met het project ‘Op weg naar een sociaal-liberaal manifest’ zijn leiderschap te vestigen en de partij ideologisch opnieuw te verankeren, maar het project stierf een stille dood. Nog geen jaar later, in februari 2006, zou hij terugtreden als fractievoorzitter, toen de Tweede Kamerfractie zich had gekeerd tegen een militaire missie naar Afghanistan. Na een voor D66 dramatisch verlopen debat in de Tweede Kamer maakte Dittrich plaats voor Lousewies van de Laan. Zij bracht in juni 2006 het kabinet ten val, door naar aanleiding van het debat over het Nederlanderschap van het Tweede Kamerlid van de VVD Ayaan Hirsi Ali de steun van de D66-fractie voor het kabinet in te trekken.

Na een felle en publiekelijk uitgevochten strijd om het lijsttrekkerschap tussen fractievoorzitter Van de Laan en minister Pechtold, vanwege de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen in november, werd de laatste gekozen als nieuwe lijsttrekker. Als gevolg van de imagoschade door alle perikelen en de beperkte middelen om campagne te voeren slaagde de partij er niet in de negatieve spiraal in de opiniepeilingen bij te buigen. D66 viel verder terug naar drie zetels, het geringste aantal ooit in de geschiedenis van de partij.

Na de nederlaag koos D66 ervoor oppositie te voeren tegen het conservatief-christelijke vierde kabinet-Balkenende. Ondanks de kleine fractie slaagde partijleider Pechtold erin vaak  de aandacht van de media te trekken, ook al omdat hij in het gepolariseerde politieke klimaat uitgroeide tot dé opponent van Geert Wilders op het terrein van immigratie en integratie. Geleidelijk aan begon D66 weer te stijgen in de opiniepeilingen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2010 haalde de partij onder aanvoering van Pechtold tien zetels. Even leek regeringsdeelname in zicht, maar de formatie van een ‘paars-plus’ kabinet mislukte uiteindelijk. Na de derde grote crisis sinds de oprichting van de partij was D66 weer terug.

ideologisch-programmatische ontwikkeling

Bij de oprichting onderscheidde D66 zich van de gevestigde politieke partijen door van een beginselprogramma af te zien. Zo’n document hoorde bij ‘ideologische politiek’ en statische, snel verouderende principes, waar D66 weinig mee op had: de partij wilde ‘pragmatische’ politiek bedrijven, gericht op concrete en doelmatige oplossingen voor actuele problemen. In het eerste verkiezingsprogramma stelde D66 de radicale democratisering van politiek en samenleving centraal. De nadruk lag op ‘nieuwe spelregels’ voor de parlementaire democratie: rechtstreekse verkiezing van de minister-president en de burgemeesters, invoering van een districtenstelsel, en opheffing van de Eerste Kamer.

Nadat in 1972 de Club van Rome een alarmerend rapport had uitgebracht over de problemen waarmee de wereld te kampen had als gevolg van economische groei en vervuiling, kreeg het milieu veel aandacht bij D66. D66, PvdA en PPR stelden een commissie in onder leiding van de sociaaldemocraat Sicco Mansholt, die de problematiek van de ‘grenzen aan de groei’ vertaalde in een nieuwe boodschap van de progressieve drie, waarmee de basis werd gelegd voor het gezamenlijke verkiezingsprogramma, Keerpunt ‘72.

Na de bijna-dood ervaring halverwege de jaren zeventig presenteerde D66 zich niet langer als radicale vernieuwingsbeweging, maar als een ‘redelijk alternatief’ voor de andere partijen en daarmee als ‘vierde stroming’ in de Nederlandse politiek. De partij erkende expliciet de bestaande politieke stromingen (liberalisme, sociaaldemocratie en confessionalisme), waartegen zij zich eerder als vernieuwingsbeweging had verzet.Het nieuwe D66 speelde in op de politiek-maatschappelijke situatie in de jaren zeventig, die werd gekenmerkt door de gevolgen van de oliecrisis van 1973 en de daaropvolgende economische recessie. Milieu en technologische vernieuwing vormden de speerpunten in de D66-verkiezingsprogramma’s uit deze periode.

De wedergeboorte van D66 ging tevens gepaard met een poging om de partij op een hechtere ideologische grondslag te vestigen. Het Beleidsprogramma 1977-1981 stelde de handhaving en vergroting van individuele ontplooiingsmogelijkheden voorop. Ook vroeg D66 aandacht voor de ‘menselijke maat’ temidden van de ‘onbestuurbare processen en structuren in de samenleving’. Het links-liberale karakter van de democraten kwam in deze periode steeds duidelijker op de voorgrond. In 1979 werden de uitgangspunten van D66 voor het eerst vastgelegd in een beginselprogramma: de Uitgangspunten van denken en handelen van D’66.

In de eerste helft van de jaren tachtig onbrak het D66 aan een sterk inhoudelijk profiel. Op het partijcongres in 1983 werd tevergeefs voorgesteld om de partijnaam uit te breiden met een voorvoegsel als ‘links-liberaal’ of ‘sociaal-liberaal’. De situatie veranderde toen Van Mierlo terugkeerde als lijsttrekker en in Een reden van bestaan het bestaansrecht van D66 uiteenzette. Zijn terugkeer betekende de revitalisering van de staatsrechtelijke idealen van het begin. De links-liberale partij van Terlouw maakte plaats voor de vernieuwingsbeweging van Van Mierlo, terwij de no-nonsense houding van de eerste werd ingeruild voor de filosofische beschouwingen van de laatste.

De nieuwe positie van D66 was ‘tegenover’ de andere partijen wat betreft de ideeën over partijpolitieke en staatkundige vernieuwing. Tegelijkertijd plaatste Van Mierlo D66 ‘tussen’ de andere partijen om de partij klaar te stomen voor regeringsverantwoordelijkheid. D66 wilde laten zien dat ze een andere politieke cultuur vertegenwoordigde, een strategie die aanslaat bij het electoraat. Begin jaren negentig werd D66 in toenemende mate gezien als dé niet-confessionele middenpartij van Nederland. Naast democratische vernieuwing speelden ook milieu, drugsbeleid en ethische vraagstukken zoals euthanasie en abortus een belangrijke rol in de profilering van D66. Ondanks oproepen daartoe voelde partijleider Van Mierlo er niets voor om zijn partij van een ideologisch etiket te voorzien. De nieuwe generatie D66’ers liet het er echter niet bij zitten en in 1997 nam het partijcongres, op voorstel van de jongerenbeweging ‘Opschudding’, het etiket ‘sociaal-liberaal’ aan, waarmee tot uitdrukking werd gebracht dat het gedachtegoed van D66 een synthese is van sociale en liberale standpunten.

Onder leiding van De Graaf en later Dittrich profileerde D66 zich expliciet als sociaal-liberale partij, maar het etiket bood de kiezers noch de partijleden zelf veel houvast.  Van het plan van Dittrich om de D66-beginselen op te schrijven in een ‘sociaal-liberaal manifest’, kwam weinig terecht. In plaats daarvan formuleerde de partij het verkiezingsprogramma 2006-2010 vijf ‘richtingwijzers’ die de kern van het D66-gedachtegoed beschrijven: vertrouw op de eigen kracht van mensen, denk en handel internationaal, beloon prestatie en deel de welvaart, streef naar een duurzame en harmonieuze samenleving, koester de grondrechten en gedeelde waarden.

De nieuwe partijleider Pechtold sloeg vanaf 2006 met succes een brug tussen de geboorte­papieren van D66 op het gebied van democratisering en actuele maatschappelijke vraagstukken op sociaal en economisch gebied. In het nieuwe verkiezingsprogramma Het gaat om mensen staat een ‘vrij open en tolerant Nederland’ centraal en wordt veel aandacht besteed aan onderwerpen als werkgelegenheid, vergrijzing en economische groei. Pechtold profileerde D66 als een partij met een sociaal-liberale agenda en een vrijzinnig-democratische houding. Hij was daarmee de eerste partijleider die D66 positioneerde in de politieke stroming van de vrijzinnig-democratie.

organisatorische ontwikkeling

Toen D66 in februari 1967 haar entree maakte in de Tweede Kamer, was de jonge partij het stadium van beweging nog maar net ontstegen. Aanvankelijk dacht zij als breekijzer het vastgeroeste politieke bestel te kunnen openbreken en daarna zelf weer van het toneel te verdwijnen. Door dit idee van een tijdelijke beweging was er aanvankelijk weinig aandacht voor het opzetten van een professionele partijorganisatie – alhoewel partijorganisatie altijd een zwak punt van D66 zou blijven.

De onvrede met wat D66 als de regentenmentaliteit beschouwde, de wens tot democratisering van politiek en samenleving, en het betrekken van de burgers bij de politiek, werd in de partij weerspiegeld door een radicaal-democratische besluitvormingen een gedecentraliseerde organisatievorm. Het organisatorisch primaat ligt sinds de oprichting bij de besturen, het politieke primaat bij de fracties en de ledenvergaderingen. Alle leden hebben gelijke rechten en toegang tot de algemene ledenvergadering, het hoogste besluitvormende orgaan binnen de partij. Het ‘one man, one vote’-beginsel geeft iedereen op deze congressen spreek- en stemrecht. De instelling van een partijraad of een andere vorm van representatieve vertegenwoordiging is door het congres altijd afgewezen. De decentrale opbouw van de partij en de directe democratievorm zijn daardoor vanaf de oprichting van D66 in hoofdlijnen ongewijzigd gebleven.

Aan de basis van de partij functioneren de afdelingen. Afgezien van hun specifiek lokale rol in de gemeentepolitiek vindt in de afdelingen in principe ook de voorbereidende discussie plaats voor congresbesluiten. Afdelingen hebben weliswaar het recht om op het congres moties en amendementen in te dienen, maar door de directe democratie binnen D66 is hun rol op landelijk niveau beperkt. Tussen de afdelingen en het landelijk niveau functioneren regio’s, die in het verleden in wisselende mate minder of meer gewicht hebben gehad, maar over het geheel genomen toch ook een beperkte rol spelen. Sinds 1999 kent D66 ook zogenoemde ‘platforms’, groepen leden die niet tot één afdeling behoren, bijvoorbeeld virtuele platforms op internet. Ook deze platforms kunnen op congressen moties en amendementen indienen.

Grote partijen zoals CDA, PvdA en VVD konden in het verleden (en in mindere mate ook nu nog) een beroep doen op een vaste, georganiseerde achterban. D66 heeft zo’n stabiele aanhang in veel mindere mate gekend en dat maakte de partij kwetsbaar. In vergelijking met andere Nederlandse partijen had D66 altijd een zeer lage organisatiegraad. Deze lage organisatiegraad wordt incidenteel versterkt: zodra de peilingen voor D66 een neerwaartse beweging laten zien, zakt de inzet die leden en vrijwilligers voor de partij plegen in. Mede door de periodieke terugval in aantallen Kamerzetels en de daarmee gepaard gaande wisselvalligheid aan inkomsten, is een gedegen partijorganisatie nooit van de grond gekomen. Ook de financiële situatie van D66 is door de jaren heen vrijwel voortdurend ontoereikend geweest. Ook dit legde de partij beperkingen op bij de opbouw van een professionele organisatie, het organiseren van activiteiten en het voeren van campagnes.

Aan D66 worden de eisen gesteld van een grote partij, terwijl ze een kleine is. In de loop der jaren hebben diverse partijcommissies zich daarom gebogen over de mankementen in de structuur van D66. Telkens kwamen zij met voorstellen om hierin verbetering aan te brengen, maar de partij heeft haar organisatie nooit fundamenteel herzien. Dit is het gevolg van de partijcultuur binnen D66. De Democraten zijn eigenlijk een beetje de politieke amateurs gebleven die ze in 1966 waren. Individualisten, non-conformistisch en soms een beetje anarchistisch. Wijzigingen die in de richting gaan van meer structuur of professionalisering worden dan ook vaak als strijdig ervaren met de losse vrijwilligersorganisatie die D66 is.

Vanaf 2007 wordt binnen D66 echter gewerkt aan het leggen van een nieuw fundament voor de toekomst. De commissie-Groenman presenteerde in het rapport Verloren vertrouwen en de weg naar herstel een grondige analyse van twaalf jaar verkiezingsnederlagen en deed aanbevelingen voor de toekomst. Het landelijk bestuur van de partij kwam in Klaar voor de klim met een plan van aanpak om D66 organisatorisch weer op de rails te krijgen. Een permanente programmacommissie werkt de ‘richtingwijzers’ verder uit, de partijorganisatie wordt geprofessionaliseerd en voor het eerst in de geschiedenis van de partij wordt serieus werk gemaakt van de scouting en opleiding van nieuw politiek talent. Met 23.767 leden is D66 in 2014 groter dan ooit.

electorale ontwikkeling

Typerend voor D66 is het grillige verloop van de electorale aantrekkingskracht van de partij. De geschiedenis van D66 is één grote electorale golfbeweging.

De Tweede Kamerverkiezingen in februari 1967 waren de eerste verkiezingen waar D66 aan deelnam. De partij presenteerde zich nadrukkelijk als vernieuwingsbeweging en wist de bij de kiezers levende onvrede over de gevestigde politieke partijen om te zetten in zeven Kamerzetels. In het relatief stabiele politieke landschap in die tijd was dit een ongekende uitslag. Vier jaar later, bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1971, bleek de groei van D66 vooralsnog niet te stuiten: de partij won vier zetels en kwam daarmee op elf.

Daarna ging het bergafwaarts met de nog jonge partij. De vervroegde Tweede Kamerverkiezingen van 1972 kwamen voor D66 op een ongunstig moment, toen de partij verdeeld was over de progressieve samenwerking. Na een mislukte verkiezingscampagne, waarin tegelijkertijd de eigen identiteit van D66 werd benadrukt èn de progressieve samenwerking uitgedragen, verloor de partij vijf van de elf Kamerzetels. Het vertrek van Van Mierlo resulteerde niet in het gehoopte electorale herstel. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten en gemeenteraden in 1974 haalde D66 gemiddeld slechts 1% van de stemmen. In veel provincies en gemeenten verdween de partij van de kaart.

Na de wedergeboorte onder leiding van Terlouw steeg D66 bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1977 van zes naar acht zetels. De nieuwe koers, ‘het redelijk alternatief’, was aangeslagen; D66 was de vierde partij van Nederland geworden. Vier jaar later, bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1981, won de partij maar liefst negen zetels en kwam daarmee uit op een totaal van zeventien. Zes jaar na de bijna-opheffing was D66 groter dan ooit. Een jaar later verdampte het succes echter al weer. De problemen in het door D66 gesteunde tweede kabinet-Van Agt leidden bij de vervroegde verkiezingen in 1982 tot een zwaar verlies: de partij kelderde van zeventien naar zes Kamerzetels.

Herstel werd pas zichtbaar toen Van Mierlo in 1985 terugkeerde als partijleider. Met de leus ‘Andere politiek’ voerde D66 succesvol campagne en bij de Tweede Kamerverkiezingen in mei 1986 haalde zij negen zetels. Door een kritisch-constructieve manier van oppositievoeren bouwde D66 in de jaren die volgen aan het herstel van het vertrouwen. Onder leiding van Van Mierlo mocht de partij zich verheugen in een groeiende populariteit, die bij de Tweede Kamerverkiezingen in september 1989 resulteerde in drie zetels winst. D66 kwam daarmee op twaalf zetels. 

De winst leidde niet tot regeringsdeelname. De groei van de partij zette evenwel onverminderd door. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in mei 1994 steeg de partij van twaalf naar 24 zetels, een verdubbeling en de grootste winst die een politieke partij tot dan toe ooit heeft gehaald. Door deze overwinning, in combinatie met het historische verlies van het CDA, was er voor D66 een centrale rol weggelegd bij de coalitiebesprekingen. Na een langdurige formatie kwam het door D66 beoogde ‘paarse kabinet’ van PvdA, VVD en D66 tot stand.

Hoewel het ‘paarse kabinet’ zeer succesvol was, daalde de populariteit van D66 al snel na de totstandkoming ervan. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in maart 1995 haalde D66 9,2% van de stemmen. Omgerekend zakte de partij daarmee van 24 naar veertien zetels in de Tweede Kamer. De 24 zetels in 1994 blijken een electorale piek te zijn geweest. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1998 verloor D66 inderdaad tien van de 24 zetels. Hoewel D66 niet meer nodig is voor een Kamermeerderheid, werd de ‘paarse’ samenwerking toch voortgezet. In 2002, na acht jaar ‘paars’, was de glans verdwenen, zowel bij de coalitie als bij D66. De opkomst van Pim Fortuyn leidde tot grote verliezen bij de bestaande partijen, ook bij D66. In mei 2002, bij de meest bizarre Kamerverkiezingen in de parlementaire geschiedenis, kwam de partij uit op zeven zetels, evenveel als in het debuutjaar 1967.

Bij de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen van januari 2003 verloor D66 opnieuw een zetel. Daarmee was de neerwaartse trend nog niet ten einde. In de opiniepeilingen in de maanden voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2006 schommelde D66 tussen nul en één zetel. Het einde van de partij leek (opnieuw) nabij. Vlak voor de verkiezingen lieten de peilingen een licht herstel zien. Uiteindelijk behaalde D66 drie zetels, een historisch dieptepunt.

D66 slaagde er echter opnieuw in om uit het electorale dal te komen. Bij de Europese verkiezingen in 2009 boekte de partij voor het eerst in twaalf jaar weer winst. En nadat ook de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2010 succesvol waren verlopen, werd in juni de kroon op het werk gezet met tien zetels in de Tweede Kamer.

typering

De beginperiode van D66 werd gekenmerkt door de interne discussie over de vraag of D66 een tijdelijke beweging was of een ‘normale’ politieke partij. Deze richtingenstrijd werd in 1971 beslecht in het voordeel van degenen die D66 zagen als een gewone partij die streeft naar regeringsdeelname. Het zou echter nog tot de tweede helft van de jaren zeventig duren voordat D66 onder leiding van Terlouw als ‘vierde stroming’ een eigen positie in de Nederlandse politiek claimde. Terwijl Van Mierlo niets moest hebben van ideologische aanduidingen, noemde Terlouw D66 een ‘links-liberale’ partij. Na de terugkeer van Van Mierlo halverwege de jaren tachtig veranderde de links-liberale partij van Terlouw weer in de democratische vernieuwingsbeweging en kwamen de staatsrechtelijke idealen weer centraal te staan.

D66’ers hebben van oudsher een ambivalente houding ten opzichte van ideologische etiketten. In de loop der tijd werden verschillende typeringen gebruikt om de partij aan te duiden, zoals vrijzinnig-democraten, progressief-democraten, radicaal-democraten, links-liberalen, progressief-liberalen, post-socialistische liberalen en sociaal-liberalen. Kennelijk verschafte noch de naam ‘Democraten’, noch de pragmatische houding van de partij een bevredigend visitekaartje. In 1997 nam D66 op voorstel van de vernieuwingsbeweging ‘Opschudding’ uiteindelijk het etiket ‘sociaal-liberaal’ aan.

De geschiedenis van D66 overziend, valt de partij nog het best te omschrijven als een progressieve partij die inhoudelijk kenmerken in zich heeft van zowel het liberalisme als de sociaaldemocratie. Bovenal pleit D66 als sinds haar oprichting voor democratisering van politiek en samenleving. De partij wil burgers meer betrekken bij de politieke besluitvorming, meer mogelijkheden tot inspraak geven en mensen zelf keuzen laten maken. Op sociaaleconomisch terrein is D66 te plaatsen tussen de collectivistische SP en PvdA ter linkerzijde en de klassiek-liberale VVD en PVV ter rechterzijde. Op het gebied van ethische vraagstukken is D66 de vrijzinnige tegenpool van de confessionele partijen (CDA, CU).