D66 jaaroverzicht 1999

Uit: B. de Boer, P. Lucardie, I. Noomen en G. Voer­man, 'Kroniek 1999. Overzicht van de partijpolitieke gebeurte­nissen van het jaar 1999' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 1999 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2000), 13-92, aldaar 33-43.

inleiding

De electorale teruggang van D66 hield in 1999 aan. Ook het leden­tal van de partij bleef teruglopen. Vlak voor het einde van het jaar hief 'Opschudding', een beweging van jongere partijleden die D66 wilde vernieuwen, zich op.

afscheid Van Mierlo

Tijdens een feestelijke bijeenkomst van partijgenoten en vrienden als M. van Dam en H. Mulisch nam de oprichter van D66 H.A.F.M.O. van Mierlo op 23 januari in het Amsterdamse theater 'De Trust' afscheid van de politiek (zie ook Jaarboek 1998 DNPP, blz. 45-46). Uit han­den van oud-minister van Justitie mevr. W. Sorg­drager ontving Van Mierlo het eerste exem­plaar van het boekje Denken over democra­tie. Hierin waren de op de bijeenkomst uitgesproken lezingen opgenomen van de Brits-Duitse socioloog R. Dahrendorf, de socioloog A. de Swaan en het lid van de Raad van State J.J. Vis. Begin februari benoemde het voorjaarscongres van D66 Van Mierlo tot erevoorzitter van de partij.

voorjaarscongres

Het voor­jaars­congres van D66 werd gehouden op 6 en 7 febru­ari. Partijleider Th.C. de Graaf stelde in zijn toespraak dat D66 de 'permanente opdracht' heeft de democratie te ver­nieuwen (de Volkskrant, 8 februari 1999). Verder pleitte hij ervoor dat de Nederlandse regering zich sterker zou maken voor een op Europees niveau gecoördineerd asielbeleid. Naar zijn mening werden oneven­redig veel asielzoekers opgevangen door Nederland en Duits­land.

Liberale Internationale

Het voorjaarscongres besloot dat D66 diende toe te treden tot de Liberale Internationale, de wereldorganisatie van liberale partijen die op dat moment werd voorgezeten door de VVD-er Bol­­ke­stein. Hoe­wel de partij al sinds 1986 waarnemer was bij de In­ter­­natio­nale, was zij niet eerder lid geworden uit onvrede over het lid­maatschap van een aantal conservatieve groeperingen. Verlen­ging van de waarnemersstatus was echter niet meer mogelijk.

Bin­nen D66 was het besluit omstreden: vertrekkend Europarle­men­tariër J.W. Bertens had op uitstel aangedrongen. Volgens politiek leider De Graaf werd D66 onder andere lid 'om de koers naar links te trek­ken' (Trouw, 8 februari 1999). Als bondgenoten had D66 daarbij haar Britse en Deense zusterpartijen, de Liberal Democrats en het Radikale Venstre, op het oog.

Dixit

Op het voorjaarscongres werd het nieuwe D66-tijdschrift Dixit gepresenteerd, een gezamenlijke uitgave van de partij en het Opleidingscentrum. Hierin was het blad Voor de d'raad, het tijdschrift voor D66-raadsleden, opgegaan. In het nieuwe peri­odiek werden actuele politieke thema's behandeld uit alle gele­dingen van de partij. Na zeven num­mers werd in juli om budget­taire redenen de uitgave van het blad gestaakt. Met 950 abonnees werd het streefgetal van twee­duizend lang niet gehaald.

Provinciale Statenverkiezingen

Zoals in de peilingen voorspeld, leed D66 bij de Provinciale Sta­tenverkiezingen vrijwel overal zware verliezen. De partij ging terug van 67 naar 39 zetels. Anders dan bij de gemeente­raads­verkiezingen van 1998 leidde de slechte uitslag niet tot kritiek op de landelijke partijleiding (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 41).

Ook bij de collegeonderhandelingen moest D66 een veer laten. De partij raakte haar zetels in het college van Gedeputeerde Staten in Drente en Gel­derland kwijt, met als gevolg dat zij over geen enkele gedeputeerde meer beschikte.

Eerste-Kamerverkiezingen

In december 1998 had D66 de kandidatenlijst voor de Eerste-Kamer­verkie­zingen vastgesteld (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 47). Als eerste op de lijst werd J.C. Terlouw, die door het voor­jaarscongres tot erelid van de partij was benoemd, door de leden aangewezen. Hij werd gevolgd door Sorgdrager. Voormalig staatssecretaris van Bin­nenlandse Za­ken J. Kohnstamm kwam op de derde plaats, en de zittende frac­tie­voorzitter E.H. Schuyer op de vierde. Zij werden op 25 mei allen tot senator verkozen; D66 verloor hiermee drie zetels. Terlouw keerde zo weer terug in de landelijke politiek. Sorgdrager verliet op 1 oktober de Eerste Kamer (zie hieronder onder 'Sorgdrager'). Als haar op­volger nam R.Ch. Hessing zitting.

Europese verkiezingen

In 1998 had D66 de voorbereidingen voor de verkiezingen voor het Europees Parlement gestart (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 47). Aan het eind van het jaar hadden de partijleden de kandida­tenlijst opgesteld. Als eerste werd het voormalig Tweede-Kamer­lid B.R.A. van den Bos genomineerd. Hij werd gevolgd door de zittende Euro­par­lementariër mevr. J.L.A. Boo­gaard-Quaak, en mevr. L. van der Laan, lid van Opschudding en woordvoerder van Europees commis­saris H. van den Broek. Dit drietal stelde zich samen met F. Kist kandidaat voor het lijst­trekkerschap. In februari wees het par­tijcongres Van der Laan met 244 stemmen als eerste kandidaat aan. Bogaard verwierf 135 stemmen; Van den Bos 74. Verder stelden de leden het 'Europees Manifest 1999-2004' vast.

Eerder al had D66 besloten het verkie­zingsprogramma van de Euro­pese Liberalen en Democraten (ELD(R)) over te nemen (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 47-48). Dit programma, 'The liberal challenge for Europe' geheten, werd eind april op het ELD(R)-con­gres in Berlijn vastgesteld. Alle door D66 inge­diende amen­dementen werden aange­nomen. Ook verwierf de partij steun voor haar voorstel te streven naar transnationale kandidaten­lijsten.

De campagne voor de Europese verkiezingen werd geopend op 28 mei.

Ook bij de Europese verkiezingen boekte D66 verlies. De Demo­cra­ten behaalden twee zetels, twee minder dan in 1994. Na een half jaar liet de nieuw verkozen Van der Laan in een interview in NRC-Handelsblad (21 december 1999) weten teleurgesteld te zijn in haar werk als Europar­lementariër. Redenen waren onder andere de 'politieke spelletjes' en het heen-en-weer-gereis tussen Brussel en Straatsburg. Later ontkende Van der Laan deze uitspraken te hebben gedaan.

Kosovo

Tijdens de campagne over de Europese verkiezingen wijdde D66 ook een themabijeenkomst aan Kosovo (zie in deze Kroniek onder 'hoofdmomenten'). Eerder al, op 11 april, had de partij op initiatief van politiek leider De Graaf en de buiten­land­specialist van de Tweede-Kamerfractie J.Th. Hoekema een zogeheten 'deskundi­genbijeenkomst' gehouden. Fractieleden en externe des­kundigen in­formeerden hier zo'n honderd belang­stellenden. Op 19 april organiseerde de SWB-werkgroep Mensenrechten in Den Haag eveneens een bijeenkomst over Kosovo.

parlementaire enquête Bijlmerramp

Op 21 april publiceerde de enquêtecommissie Vliegramp Bijlmer­meer haar eindrapport Beladen vlucht (zie in deze Kroniek onder 'hoofdmomenten'). Hierin werd onder meer over minis­ter mevr. E. Borst-Eilers van Volksgezond­heid, Welzijn en Sport gesteld dat door haar 'traag handelen en onderschatting gezondheidsklach­ten in aantal en ernst zijn toegenomen'. Borst kondigde aan dat zij zou aftreden, wan­neer zij verwijtbare fouten zou hebben begaan. Vlak voor het Tweede-Kamerdebat over de conclusies van de com­missie liet Borst nogmaals weten dat wanneer zij bij haar par­lementaire verdediging te zeer beschadigd raakte, zij haar functie zou neerleggen. Een kamermeerderheid vond begin juni echter dat Borst kon aanblijven.

kabinetscrisis

Op 19 mei bood het kabinet zijn ontslag aan, nadat de Eerste Kamer door toedoen van VVD-senator Wiegel de grondwets­wij­zi­ging die de invoering mogelijk moest maken van het door D66 gewenste correctief referendum, had afgewezen (zie in deze Kroniek onder 'hoofd­momenten'). De Graaf adviseerde de koningin ver­vroegde ver­kiezingen uit te schrijven. Binnen D66 was men er aan­van­kelijk van over­tuigd dat de breuk in het kabinet niet geheeld kon wor­den. De Graaf liet weten geen genoegen te zul­len nemen met de 'fopspeen' van het opnieuw indienen van het voorstel. Later veranderde de partijtop van mening, volgens de media onder meer van­wege de vrees dat typische D66-onder­wer­pen als euthanasie en het homo­huwe­lijk in de verdrukking zouden raken. Ook zouden de slechte opiniepeilingen meespelen. De Demo­­craten werkten mee aan een lijmpoging van informateur Tjeenk Willink. Uitkomst hiervan was dat het bewuste voorstel opnieuw zou wor­den ingediend, en dat in de tussentijd een niet-bindend (raadgevend) referendum zou worden ingevoerd. Na dit akkoord trok premier Kok namens zijn kabinet de ontslag­aanvrage bij de koningin weer in.

Op een op 6 juni door D66 belegde bijeenkomst in Utrecht over de lijmpoging bleek dat nogal wat leden moeite hadden met het feit dat hun partij had besloten verder te regeren. Onder hen was ook partij­voorzitter T. Kok. De Graaf meende echter dat de VVD haar goede wil had getoond door in te stemmen met een niet-bindend refe­ren­dum. Ook de Jonge Democraten waren niet tevreden: hun voorzitter B. van der Ham vond dat D66 met de nieuwe afspraken geen genoegen had moeten nemen en bijvoor­beeld ook de gekozen burgemeester moest eisen.

Op 19 september werd in Leiden een 'Sleutelcongres' gehou­den over de toekomst van de partij, georganiseerd door een zestal over­we­gend jonge D66-le­den. Met name waren zij be­zorgd over het imago van hun partij na de kabinetscrisis. Aan de 'bezinnings­bijeen­komst' leverde de vernieuwingsbewe­ging Opschudding ook een inhoudelijke bij­drage. Het hoofd­bestuur om­armde het initiatief: het droeg bij in de kosten en was op de bij­eenkomst aanwezig, evenals politiek leider De Graaf. Op het congres, waar ruim tweehonderd personen aanwezig waren, werd gesproken over de inhoud, organisatie, presentatie en de toekomst van D66, waarbij in soms verhitte discussies flinke kritiek werd geuit op de partijtop.

minister Apotheker

Op 7 juni, vlak nadat de coalitie was gerepareerd, legde minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij H.H. Apotheker zijn functie neer. Als reden voerde hij aan dat het kabinet zijn plan voor de inkrimping van de varkensstapel op basis van vrijwil­lig­heid en met financiële vergoedingen onvoldoende steunde. Pre­mier Kok ontkende dit. 'Ik heb de indruk dat het hem allemaal te veel was', zo meende hij (NRC-Handelsblad, 8 juni 1999). Apotheker werd opgevolgd door D66-Europarlementariër L.J. Brinkhorst.

Kohnstamm

Medio mei werd de oud-staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Kohn­stamm door zijn partijgenoot, de Commissaris van de Koningin in Utrecht B. Staal voorgedragen als burgemeester van de gelijk­namige stad. De ver­trouwenscom­missie van de Utrechtse gemeen­teraad had hem op de tweede plaats gezet. Bovenaan stond mevr. A.H. Brouwer-Korf (PvdA), burgemeester van Amers­foort. Eind juni besloot het kabi­net na lang vergaderen op voorstel van minister Peper van Binnen­landse Zaken Brouwer te be­noemen. Volgens krantenberichten hadden de VVD- en D66-minis­ters lang vastgehouden aan de kandida­tuur van Kohn­stamm, maar waren zij gezwicht nadat Peper had ge­dreigd af te treden. Peper tikte later Staal op de vingers, om­dat hij in het openbaar zou hebben geoordeeld over de kwaliteiten van de beide burgemeesterskandi­daten.

Sorgdrager

In maart werd oud-minister van Justitie Sorgdrager door een com­missie met daarin de president van de Hoge Raad, de voorzitter van de Rekenkamer en de vice-president van de Raad van State, als eerste kandidaat voorgedragen voor de functie van Nationale Om­budsman. Tegen haar kandidatuur kwam in de Tweede Kamer verzet van de zijde van de op­posi­tie. Deze meende dat Sorgdrager in deze functie mogelijk zou moeten oordelen over zaken waarvoor zij als voormalig minister van Jus­titie in het eerste kabinet-Kok (1994-1998) verant­woordelijkheid droeg. Vlak voordat de Tweede Kamer op 22 juni zou stemmen over de bezetting van de functie, trok zij zich terug. In september werd Sorg­drager, die inmiddels lid van de Eerste Kamer was geworden, door het kabinet met ingang van 1 januari benoemd tot voorzitter van de Raad van Cultuur. Zij verliet op 1 oktober de senaat.

In juni presenteerde Sorgdrager haar boek Een verant­woor­de­lijke minister. Opstellen over politiek en justitie. Zij schreef hierin over justitiële onderwerpen waarmee zij tijdens haar mi­nister­schap en daarvoor, als procureur-generaal, te maken had gehad.

commissie Identiteit en het sociaal-liberalisme

Op voorstel van Opschudding, een groep van kritische jongeren binnen D66, had het partijcongres in november 1998 besloten dat D66 zich voortaan sociaal-liberaal ging noemen (zie Jaar­boek 1998 DNPP, blz. 48). Het hoofdbestuur stelde een commissie Identiteit in onder voorzitterschap van W. Derksen, die opdracht kreeg de identiteit en kernwaarden van D66 in een 'basisdocu­ment' uit te werken. De leden waren onder meer afkomstig uit de Program­com­missie en uit Opschudding.

Ook anderen binnen D66 hielden zich met het begrip sociaal-li­be­ralisme bezig. Politiek leider De Graaf definieerde tijdens zijn toespraak tot het voorjaars­congres de inhoud ervan als volgt: 'We zijn li­beraal als het erom gaat de individuele kansen en vrij­heden te waarborgen. En sociaal omwille van ons geloof in de kracht van de samenleving' (Nederlands Dagblad, 9 februari 1999). Op het con­gres had Opschudding met een werkdocument over het begrip soci­aal-liberalisme voor de dag willen komen, maar dat niet tijdig afge­kregen. Vervolgens werd het op 26 februari gepre­senteerd, onder de titel De voorzet. Het discussiestuk concen­treerde zich op vier 'soci­aal-liberale kernwaarden': vrijheid, verant­woor­de­lijkheid, ge­lijk­waardigheid en democratie. Het pamflet werd door D66-leider De Graaf enthousiast ontvangen, hoewel hij ook opmerkte dat het wel wat radicaler had mogen zijn.

De door G. Schouw en Chr. de Vries van het wetenschappelijk bu­reau van D66 geschreven notitie Democratische perspectieven, richtingen voor sociaal-liberaal beleid vormde het uitgangspunt voor een visieconferentie op 31 mei.

In de zomer presenteerde de commissie Identiteit de concept-tekst 'Uitgangs­punten van de Democraten'. Hierin definieerde de partij het begrip 'sociaal-liberaal'. Gestreefd werd naar een samen­leving 'die ge­ba­seerd is op de persoonlijke vrijheids­rechten en bevorde­ring van de grootst mogelijke ontplooiing van ieders individualiteit op basis van gelijke kansen'. Ook wilde de partij een 'radicale democratisering' van de maat­schappij. Tot 4 oktober konden par­tijleden commentaar geven op het concept. Het stond ook ter dis­cussie op het 'politiek podium', dat D66 op 26 september organi­seerde. De uitkomsten van dit debat en de reacties van de leden werden door de commissie betrokken bij het opstellen van het definitieve concept. Dit werd vervolgens op 20 november aan het partijcongres voorgelegd. De afgevaardigden, die niet de moge­lijkheid hadden het te amenderen, aanvaardden het document.

partijorganisatie

In september 1998 had het hoofdbestuur de commissie Lokaal lid­maatschap ingesteld. Voorzitter was de Groninger wethouder H. Pijlman. De commissie wilde burgers die D66 op lokaal niveau wèl, maar in landelijk opzicht niet wilden steunen, de gelegenheid bieden in de plaatselijke afdelingen te participeren. Zij stelde daarom voor het aan de afdelingen over te laten of deze het lokale par­tijlidmaatschap wilden invoeren. Ook zouden de afdelingen zelf moeten bepalen welke rechten en plichten zij de lokale leden wilden toekennen. Het partijcongres wees de voorstellen af.

In de zomer bracht de door oud-staatssecretaris D.J.K. Tommel ge­leide commissie 'Kiessysteem en stemadvies' haar rapport uit. Deze commissie was in september 1998 door het hoofd­bestuur in het leven geroepen om aanbeve­lingen te doen over mogelijke verande­rin­gen in het interne kies- en stemadvies­systeem van D66 (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 46). De commissie deed een aantal sug­gesties om de geringe deelname van de partijleden aan de stem­mingen over de kandi­datenlijsten voor de verschillende verkie­zingen (Tweede Kamer, Europees Parlement) te ver­groten. Verder zouden kandidaten voor hun campagne zelf een website moeten kun­nen in­richten. Ook werd voorgesteld de lijsttrekker eerder aan te wijzen, zodat deze invloed kon uitoefenen op de samenstelling van de kandidatenlijst, de keuze van de verkie­zingsthema's en op de cam­pagne. Het partijcongres nam in het najaar deze voorstellen van de commissie aan. De verplichte instelling van een stemad­viescommissie, zoals Tommel had gead­viseerd, wees zij als 'te betuttelend' van de hand.

commissie 'Toekomst voor de politieke partij'

In 1999 stelde het hoofdbestuur de commissie 'Toekomst voor de politieke partij' in, onder voorzitterschap van A. Pechtold. De commissie diende de rol van de politieke partijen in de 21ste eeuw te verkennen en te adviseren over de toekomstige positie van D66. Op het najaarscongres bracht de commissie rapport uit. Zij raadde de partij aan haar organisatie om te vormen tot een 'pyramide-achtige of federale structuur', met sterke lokale af­delingen. De landelijke partijorganisatie moest zich vooral met 'overkoepe­lende thema's' bezig houden. Binnen een dergelijke struc­tuur zouden met behulp van de nieuwe informatie- en com­municatie­techno­logie ook gemakkelijker 'netwerken' kunnen wor­den opgezet. Aan een volgend partijcongres zouden concrete voor­stellen worden voorgelegd.

partijfinanciën

Uit de begroting die aan het najaarscongres werd voorgelegd, bleek de moeilijke financiële situatie van D66 (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 47). De inkomsten van de par­tij hadden twee ton hoger kunnen zijn, wanneer alle politieke ambtsdragers van D66 conform de regels 2% van hun bruto inkomen uit hun politieke werkzaamheden aan de partijkas hadden afgedra­gen. De uitgaven waren opgestuwd door de vier verkiezingen in 1998 en 1999: deze hadden een be­hoor­lijke aanslag op het campag­ne­fonds gepleegd, waardoor dit vrijwel op was. De penning­mees­ter van D66, R. van Lente, stelde daarom voor dat in de toekomst de partij aan kandidaten bij verkiezingen een basisbedrag be­schik­baar zou stellen, en dat deze voor een deel hun eigen campagne zelf zouden moeten financieren. 'Dit betekent een definitieve ver­schuiving van een partij-georiënteerde campagne naar een kandidaat-geo­ri­ënteerde campagne', aldus de penningmeester in aijn toelichting op de ontwerp-begroting (Demo­craat, oktober 1999). Het hoofd­be­stuur wilde hierover met alle geledingen in de partij overleg­gen.

najaarscongres

Naast het lokaal lidmaatschap en de interne selectieprocedures boog het najaarscongres dat op 20 november in Zutphen werd ge­houden, zich over enkele andere organisatorische voorstellen. De afgevaardigden stemden in met de invoering van een intern refe­rendum en de instelling van 'al dan niet digitale platforms', waarin leden zich konden organiseren die niet tot dezelfde (terri­toriale) afdeling behoorden. Deze platforms kregen het recht moties en amendementen in te dienen op het congres. Als gevolg van alle veranderingen werden de statuten en het huishoudelijk reglement aangepast.

partijvoorzitter

Op het najaarscongres kozen de afgevaardigden ook een nieuwe partijvoorzitter. Op 2 mei had de zittende voorzitter Kok bekend gemaakt zich niet her­kiesbaar te stellen. Kok, die in novem­ber 1996 als voorzitter was aangetreden, kwam tot dit besluit omdat hij deze functie niet langer kon combineren met zijn nieuwe baan. Tot 20 november konden kandidaten voor het par­tijvoor­zit­terschap zich aanmelden. De func­tie was onbezoldigd, maar in de pro­fielschets werd gesteld dat de voorzitter zich ook tij­dens kantoor­uren moest kunnen vrijmaken.

Gesteund door Opschudding stelde Hessing zich in september kan­didaat voor de vacature. Hij trok zich later echter terug om Sorgdrager in de Eerste Kamer op te volgen. Het hoofd­bestuur droeg zelf de organisatie-adviseurs en gewezen wethouders mevr. S. van Oogen-Visser en A. G. Schouw (die ook voorzitter was van de Stichting Wetenschappe­lijk Bureau van D66) als kan­didaten voor. In totaal dienden zich zeven kandidaten aan. Het congres koos op 20 november Schouw met 290 van de 535 stemmen tot op­volger van Kok. Van Oogen Visser kreeg ruim 170 stemmen.

Kok nam offi­cieel af­scheid als voorzit­ter, waarbij hij zijn con­gresrede be­sloot met een 'afscheids-rap' (na zijn verkiezing in november 1996 had hij opzien gebaard door een kinderliedje te zingen; zie Jaarboek 1996 DNPP, blz. 40). Kort voor zijn vertrek had Kok nog voorge­steld D66 te laten opgaan in een grote 'paarse partij', samen met de links-liberale stroming in de VVD en de vernieuwingsgezinde vleugel van de PvdA. Ook een fusie met Groen­Links behoorde vol­gens hem tot de mogelijkheden. D66-leider De Graaf distantieerde zich van deze uitspraken.

Opschudding, Niet Nix en LEF

Eind september kondigde A. Admiraal van Opschudding aan dat deze vernieu­wingsbeweging voortaan onder de naam 'LEF' nauw zou gaan samenwerken met Niet Nix, het 'jongerennetwerk' van de PvdA (zie voor het ontstaan van Opschudding Jaarboek 1998 DNPP, blz. 48; en van Niet Nix Jaarboek 1996 DNPP, blz. 62). De afkorting 'LEF' stond voor de idealen van de Franse Revolu­tie: 'Liberté' (vrij­heid), 'Egalité' (gelijkheid) en 'Fraternité' (broeder­schap). Bei­de bewegingen zouden veel gemeenschappe­lijks hebben; reden om gezamenlijk op te trekken.

Op 4 december besloot Opschudding zich met ingang van 1 januari 2000 op te heffen. De oprich­ters waren van mening dat hun be­lang­rijkste doelstellingen waren verwezenlijkt, zoals het overnemen van D66 van de aanduiding 'sociaal-liberalisme'. Wel bleven leden van Opschudding actief in LEF. Dit samenwer­kings­verband zou als 'zelf­standige onafhankelijke beweging' verder gaan met als doel mensen die niet bij partijen zijn betrokken, voor de poli­tiek te interesseren, aldus D. Hesseling, een van de initiatief­nemers van Opschudding (NRC-Handelsblad, 6 december 1999). Overigens zou ook Niet Nix zich in 1999 opheffen (zie in deze Kroniek onder PvdA).

verwante instellingen en publicaties

Begin januari verscheen Duizend dagen Kamervragen van de hand van J.F. Jeekel. De auteur was van 1995 tot 1998 lid geweest van de Tweede-Kamer­fractie van D66 en beschreef in zijn boek zijn ervaringen met de media en de ambtenarij.

Eind januari hield de Stichting Wetenschappelijk Bureau (SWB) een seminar over de toekomst van het Europese asiel- en vluchte­lin­gen­beleid. Eén van de sprekers was mevr. F. Halsema, Tweede-Kamer­lid van GroenLinks. Samen met het Opleidingscen­trum orga­niseerde de SWB op 17 april de con­ferentie 'Naar een sociaal-liberale visie op zorg'. Cen­traal stond de dreigende tweedeling in de gezondheidszorg en de toe­gankelijkheid van die zorg. Minis­ter Borst fungeerde als slot­spreker. Op 7 mei confe­reerde de SWB over het thema 'De elite sluit zich weer'. Op deze bijeen­komst werden veranderingen in het openbaar bestuur besproken. Op 17 juni publiceerde de SWB het rapport De gekozen burgemeester in een dualistisch bestel. De studie was uitgevoerd door de onder verantwoordelijkheid van de SWB ingestelde com­­­missie Democrati­sering Lokaal Bestuur onder leiding van L. Mi­chiels, hoogleraar staats- en bestuursrecht. De commissie pleitte onder meer voor een dualistisch model, waarin een rechtstreeks gekozen burge­meester de wet­houders kon benoemen en ontslaan. Op 15 oktober werd aan het rap­port een conferentie gewijd. Over de positie van de nationale staat in het licht van de ver­schuiving van verant­woordelijkheden naar het Europese niveau or­ganiseerde de SWB op 12 november de conferentie 'Verdampt Neder­land?'

Op 3 maart bestonden de Jonge Democraten (JD) vijftien jaar. Tij­dens de uitslagenavond van de Provinciale Statenverkiezingen van D66 werd bij dit jubileum stilgestaan. Ter gelegenheid van het derde lustrum, dat door de JD werd gevierd op 29 en 30 mei, verscheen de brochure 15 jaar Jonge Democra­ten. Het najaarscon­gres van de JD werd gehouden in Den Haag op 6 en 7 november. Er werd onder meer gediscussieerd over de Wadden­zee met minister Brinkhorst van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Aan het begin van 1999 werd de Bestuurdervereniging gereor­gani­seerd (zie ook Jaarboek 1998 DNPP, blz. 41-42). Het betaalde lid­maatschap van de vereniging werd afgeschaft: voortaan waren alle gekozen en benoemde D66-vertegenwoordigers in het openbaar be­stuur (zoals raadsleden en burgemeesters) qualitate qua lid. De uitvoering van de activiteiten van de Bestuurders­ver­eniging lag in handen van een hoofdbestuurscom­missie, waarin het verenigings­bestuur overigens wel vertegenwoor­digd bleef. Op 25 september orga­niseerde de Bestuurdersvereni­ging een 'verticale communicatie-bijeenkomst' voor alle bestuur­ders met de Tweede-Kamerfractie. Verder werkte de Bestuurders­vereniging geregeld samen met het Opleidings­centrum.

Het Internationaal Democratisch Initiatief (IDI) organiseerde op 12 november in Amsterdam een debat over 'Social Liberalism and Party Iden­tity'. De manifestatie was onderdeel van de door het IDI van 11 tot 14 november belegde internationale conferentie, 'Strengthening Party Identity' geheten. Hierbij waren vertegen­woordigers van een aantal Europese zuster­partijen aanwezig. 

personalia

Op 15 april werd mevr. J. van der Giessen voorzitter van het College van Bestuur van de Hogeschool voor Muziek en Thea­ter in Rot­terdam. Daarvoor had zij haar functie als wet­houder in Amsterdam neergelegd.

In mei werd het bedrijf MA Research waarvan het Tweede-Kamerlid mevr. M.J. Augusteijn-Esser tot 1994 directeur van was, beticht van frauderen met medische gegevens bij een onderzoek naar be­handelmethoden van schizofrenie-patiënten. De studie was uit­ge­voerd door de echtgenoot van Augusteijn, die haar als directeur had opgevolgd. De Stichting Spoor (Schizofrene Psy­chosen Onder­zoek, Onderwijs en Rehabilitatie) meende dat Augus­teijn eveneens betrokken was geweest bij de fraude en eiste in een kort geding een aanzien­lijke financiële vergoeding. De Stichting verloor de zaak echter.

Op 6 oktober overleed N.F.I. Schwarz. Hij had namens D66 in de jaren 1971-1977 zitting in de Eerste Kamer.