D66 jaaroverzicht 2005

Uit: J. Hippe, R. Kroeze, P. Lucardie, N. van de Walle en G. Voerman, 'Kroniek 2005. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 2005' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 2005 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2006), 14-98, aldaar 37-46.

inleiding

Het jaar 2005 verliep moeizaam voor D66. In het voorjaar stapte haar politieke leider Th.C. de Graaf op. Zijn vertrek leidde bijna tot een crisis binnen de partij over de vraag of D66 deel moest blijven uitmaken van het tweede kabinet-Balkenende. In de opiniepeilingen stond de partij op verlies; zij schommelde meestal tussen de vier en vijf zetels.

kerncentrale Borssele

Op aandrang van D66 was in mei 2003 in het regeerakkoord van het tweede kabinet-Balkenende bepaald dat de kerncentrale van Borssele in 2013 zou moeten worden gesloten (zie Jaarboek 2003 DNPP, blz. 23). Staatssecretaris P.L.B.A. van Geel van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer liet op 16 februari 2005 weten vanwege de hoge olieprijzen en de opwarming van het klimaat sluiting te willen heroverwegen (zie ook in deze Kroniek onder CDA). Het Tweede-Kamerlid B. van der Ham was hierover – evenals zijn fractiegenoten – niet te spreken: ‘kernenergie is niet de goede weg’ (Trouw, 16 februari 2005). Fractievoorzitter in de Eerste Kamer E.H. Schuyer, minister L.J. Brinkhorst van Economische Zaken en oud-partijleider J.C. Terlouw waren daarentegen voorstander van het langer in bedrijf houden van de kerncentrale. Uiteindelijk stelde de Tweede-Kamerfractie zich op 21 juni, vlak voor het kamerdebat met staatssecretaris Van Geel, op het standpunt dat de kerncentrale in Borssele langer open kon blijven, wanneer tegelijk extra zou worden geïnvesteerd in duurzame energie. De milieubeweging reageerde teleurgesteld op de veranderde opstelling van D66.

aftreden politiek leider De Graaf

Op 23 februari begon minister Th.C. de Graaf voor Bestuurlijke Ver­nieuwing en Koninkrijksrelaties een ruim een week durende promotie­toer met een bus door bijna veertig Nederlandse gemeenten om de direct gekozen burgemeester te promoten. Naast de hervorming van het kies­stelsel vormde dit plan het belangrijkste onderdeel van zijn bestuurlijke vernieuwingsagenda. Op 22 maart echter bleek er in de Eerste Kamer door toedoen van de PvdA-fractie geen tweederde meerderheid voor het voorstel om de Kroonbenoeming van de burgemeester uit de grond­wet te schrappen – een noodzakelijke voorwaarde voor de invoering van de rechtstreeks gekozen burgemeester (zie in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’).

De volgende dag maakte de zwaar aangeslagen De Graaf bekend af te treden als minister. Zijn besluit had niet alleen te maken met zijn nederlaag in de senaat, maar ook met het feit dat zijn plannen voor de invoering van een districtenstelsel te weinig steun kregen – niet alleen bij de coalitiepartners CDA en VVD, maar ook binnen zijn eigen partij (zie ook Jaarboek 2004 DNPP, blz. 22-23 en 47). Als minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties werd De Graaf op 31 maart opgevolgd door A. Pechtold, partijvoorzitter en burgemeester van Wageningen. Minister Brinkhorst werd vice-premier. In de media werd bericht dat de voorzitter van de Tweede-Kamerfractie B.O. Dittrich zich voor de ministerspost beschikbaar had gesteld, maar daarvan zou heb­ben afgezien nadat enkele oudgedienden – waaronder minister Brink­horst – hem dat hadden ontraden. Dittrich zelf ontkende dat hij De Graaf als minister had willen opvolgen; wel werd hij de nieuwe poli­tieke leider van D66.

onrust binnen D66

Door het aftreden van De Graaf stak in D66 de onrust over de deelname aan het tweede kabinet-Balkenende weer de kop op – evenals in 2004 (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 50-51). De beide andere D66-bewinds­lieden, Brinkhorst en staatssecretaris mevr. M.C. van der Laan van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, beraadden zich op hun positie. Binnen de partij meende een aantal leden – zoals de Commissaris van de Koningin in Utrecht B. Staal – dat D66 meteen de regering diende te verlaten. Tijdens het Tweede-Kamerdebat dat op het aftreden van minister De Graaf volgde, maakte Dittrich echter duidelijk dat D66 niet zomaar uit de coalitie wilde stappen, alleen omdat de gekozen burge­meester was afgestemd. Partijoprichter H.A.F.M.O. van Mierlo daaren­tegen stelde op 23 maart in een televisieprogramma dat nu de gekozen burgemeester was afgewezen en het nieuwe kiesstelsel het waar­schijn­lijk ook niet haalde, zijn partij niets meer in het kabinet te zoeken had. Ook het landelijk bestuur sprak zich ervoor uit dat bestuurlijke vernieu­wing prioriteit bleef behouden.

Dittrich kreeg in zijn streven niet alleen bestuurlijke vernieuwing, maar ook andere thema’s hoog op de agenda te zetten – zoals duurzaamheid, onderwijs, milieu en Europa – de steun van een groep jonge D66-ers (‘geboren na 66’). Ook de voorzitters van de partijafdelingen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht vielen de nieuwe poli­tieke leider bij, evenals voorzitter J. Paternotte van de Jonge Democra­ten.

‘Het nieuwe kiesstelsel is voor ons nooit echt van belang geweest. Het gaat ons om onderwijs, milieu en natuur’, zo meende hij (Trouw, 25 maart 2005).

Paasakkoord

Op 26 maart bereikte fractieleider Dittrich met zijn collega’s Verhagen en Van Aartsen van CDA en VVD een akkoord over de voortzetting van de deelname van D66 aan het tweede kabinet-Balkenende (zie ook in deze Kroniek onder ‘hoofd­momenten’). Belangrijkste punten uit het zogeheten ‘Paasakkoord’ waren het uittrekken van extra gelden voor onderwijs en innovatie, nader onderzoek naar het referendum, verlaging van de voorkeursdrempel en hervorming van de publieke omroepen, waarbij de omroepverenigingen aan invloed zouden inboeten. Tevens werd vastgelegd dat het kabinet zou streven naar het opnemen van de gekozen burge­meester in de grondwet, met als doel de invoering van de gekozen burgemeester in 2010.

extra partijcongres 2 april

 Mede op aandrang uit de partij hield D66 op 2 april een extra congres waar de leden over het ‘Paasakkoord’ en de voortzetting van de deel­name aan de regeringscoalitie konden beslissen. Staal had de leden in de dagen voorafgaand aan het congres opgeroepen tegen te stemmen. Van Mierlo toonde zich kritisch en noemde het voorstel voor de gekozen burgemeester ‘dubieus’. De partijcoryfee zag daarin reden om het akkoord af te wijzen, tenzij de partijtop duidelijk zou uitspreken dat D66 zich bleef committeren aan bestuurlijke vernieuwing (de Volks­krant, 30 maart 2005). Oud-partijleider Terlouw en oud-minister R.H.L.M. van Boxtel daarentegen waren wel tevreden over het akkoord.

Enige commotie ontstond toen het partijbestuur bekend maakte dat personen die na 30 maart partijlid waren geworden geen stemrecht kregen op het partijcongres, maar dat eerst hun lidmaatschap zou wor­den ‘onderzocht’. Aanleiding was de ‘extreme stijging’ van het aantal aanmeldingen. In de dagen daarvoor hadden enkele websites (zoals www.geenstijl.nl) opgeroepen om lid te worden van D66, om vervol­gens op het congres tegen het Paasakkoord te stemmen. Het bestuur wilde voorkomen dat mensen ‘met onzuivere bedoelingen stemrecht verwerven om hiermee het congres te beïnvloe­den’ (NRC Handelsblad, 1 april 2005). In de dagen voor het congres poogden bovendien enkele omroepverenigingen de D66-leden via advertenties te beïnvloeden. NCRV, AVRO en TROS riepen de leden op zich te keren tegen de plannen in het Paasakkoord betreffende de publieke omroepen (zie ook hieronder).

De ruim 2.700 leden die op het – rechtstreeks door de televisie uitge­zonden – partij­congres in Den Haag aanwezig waren, stemden na vier uur debatteren met een tweederde meerder­heid in met het Paasakkoord en daarmee met de continuering van de deelname van D66 aan het tweede kabinet-Balkenende. Veel leden uitten zich negatief over het akkoord en de snelle benoeming van Pechtold tot minister, nog voordat het congres zich had uitgesproken. Terlouw en Van Boxtel bepleitten aanvaarding van de overeenkomst, al was de laatste wel uiterst kritisch. Aan het einde van het congres diende het landelijk bestuur een zogehe­ten ‘bestuursmotie’ in, die het tegen de procedures in meteen in stem­ming bracht. Vervolgens kreeg onder meer Van Mierlo de gelegenheid om toe te lichten dat hij alles afwegende toch voor het Paasakkoord zou stemmen. Ook de teruggetreden De Graaf gaf een positieve stemverkla­ring af, waarna het congres zijn steun voor het akkoord uitsprak.

Van Mierlo had in zijn bijdrage weliswaar opgeroepen om voor te stemmen, maar hij benadrukte tevens dat hij de VVD en CDA nog steeds als ‘de conservatieve partijen’ beschouwde en de PvdA als een natuurlijke bondgenoot. Hij zei er derhalve vanuit te gaan dat het lande­lijk bestuur en fractieleider Dittrich D66 als onafhankelijke partij aan de verkiezingen van 2007 zouden laten deelnemen (Trouw, 4 april 2005).

Coalitiegenoten CDA en VVD reageerden na afloop opgelucht over de afloop van het congres; Van Aartsen sprak van ‘een verstandig besluit na een mooi congres’ (de Volkskrant, 4 april 2005).

Op weg naar nieuwe solidariteit

Op het ‘Paascongres’ had het landelijk bestuur aangekondigd dat de discussie over de partijkoers op volgende congressen zou worden voort­gezet. Dittrich verklaarde dat hij daarvoor een aanzet zou geven. Op 17 mei, vlak voor het voorjaarscongres van 21 mei, presenteerde hij het door hemzelf geschreven Op weg naar nieuwe solidariteit. Pamflet voor verandering, vrijheid en verantwoordelijkheid. Hierin brak hij een lans voor de totstandkoming van een ‘brede sociaal-liberale beweging’, waarin D66 kon opgaan. Dittrich achtte bestuurlijke vernieuwing ‘nog steeds heel belangrijk’, maar wilde dit item wel ‘meer in samenhang’ met andere punten bezien (NRC Handelsblad, 17 mei 2005). In het pamflet benadrukte Dittrich verder de solidariteit tussen de generaties. Hij stelde voor de pensioenleeftijd geleidelijk naar 67 jaar te verhogen en ouderen met een hoog aanvullend pensioen AOW-premie te laten betalen.

Dittrichs pamflet sloeg aan bij jongere leden van D66, die ook op het Paascongres in ruime meerderheid al steun verleenden aan zijn plannen.

Op het congres op 21 mei in Nijkerk werd zijn stuk in de wandelgangen besproken; op 5 november kwam het formeel aan de orde tijdens het in Delft gehouden ‘Congres over de Toekomst’, dat zich boog over de mede op Dittrichs manifest gebaseerde discussienota Op weg naar een sociaal-liberaal manifest. De leden bleken zich over het algemeen wel in de pragmatische opvattingen van hun politiek leider te kunnen vin­den. Besluitvormend was dit najaarscongres niet; op basis van de uit­komsten van de discussie zou een conceptmanifest worden opgesteld, dat op het voorjaarscongres in 2006 diende te worden vastgesteld.

rebellenclub

In 2004 was binnen D66 een zogeheten ‘rebellenclub’ opgericht, bestaande uit verontruste D66-ers die lokaal actief waren – vooral in Noord- en Zuid-Holland en Gelderland – en die vonden dat de partij teveel naar rechts was opgeschoven (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 51). In mei 2005 publiceerde deze interne pressiegroep een eigen manifest, getiteld Een aanzet om te komen tot smeerolie in de “linker buiten­boordmotor”. Het bevatte voorstellen voor interne partijvernieuwing en vrij drastische hervormingen van de overheid, sociale zekerheid, onder­wijs en milieu­beleid. D66 zou minder ‘grijs’ moeten worden en zou zich beter ‘vrijzinnig-democratisch’ dan ‘sociaal-liberaal’ kunnen noemen. Het pamflet werd op het congres van 21 mei aan partijleider Dittrich aangeboden, die het als een belangrijke bijdrage aan het partijdebat zag. Hij riep de leden op om ook hun eigen ideeën binnen de partij naar voren te brengen.

partijvoorzitter

Op 21 mei koos het partijcongres F. Dales, burgemeester van Breuke­len, tot nieuwe voorzitter. Hij volgde Pechtold op, die minister was geworden. In zijn toespraak tot de congresgangers riep hij D66 op om opvallender te opereren: ‘wij zijn te redelijk, we zijn te bescheiden’ (Trouw, 23 mei 2005).

hervorming omroepbestel

In het Paasakkoord waren ook afspraken gemaakt over de hervorming van het publieke omroepbestel. In juni hadden de plannen van staatsse­cretaris Van der Laan voor een nieuwe mediawet meer vorm gekregen: zo zou het budget van de omroepen worden verminderd en mochten zij alleen nog maar programma’s maken met als doel opinievorming, debat, cultuur en educatie. Verder was zij voornemens de Nederlandse Pro­gramma Stichting (NPS) op te heffen. Later zou overigens blijken dat zij hiermee gevolg gaf aan een akkoord van de fractievoorzitters van CDA en VVD met het Tweede-Kamerlid A.D. Bakker, de D66-specia­list op dit gebied. Binnen de partij nam vervolgens de kritiek op de voorstellen van Van der Laan toe. In een brief aan de Tweede-Kamer­fractie noemden vier prominente partijleden – partijoprichter Van Mierlo, oud-voorzitter van de Tweede-Kamerfractie G.J. Wolffensper­ger, oud-staatssecretaris A. Nuis en A. Rinnooy Kan – de opheffing van de NPS ‘volstrekt onverantwoord’ (de Volkskrant, 29 juni 2005). Voor­zitter J. Paternotte van de Jonge Democraten vond het ‘onbegrijpelijk’ (Trouw, 2 juli 2005). De Eerste-Kamerfractie zag bij monde van G. Schouw ‘geen enkele inhoudelijke reden… waarom de NPS zou moeten verdwijnen’ (NRC Handelsblad, 7 juli 2005). Ook Van der Laans partij­genoot Van Boxtel, die voorzitter was van de NPS, leverde kritiek. Haar beleid zou te rigide zijn en de partij ‘een fiks aantal leden’ kosten (de Volkskrant, 10 september 2005). In 2006 zouden haar plannen overigens stran­den in de kabinetscrisis die tot het aftreden van alle D66-bewinds­lieden leidde.

referendum Europese grondwet

In november 2003 had de Tweede Kamer mede op initiatief van D66 een wetsontwerp goedgekeurd om een raadplegend referendum te houden over het verdrag voor een Europese grondwet (zie Jaarboek 2003 DNPP, blz. 33). Binnen D66 was evenwel niet iedereen enthousi­ast over de volksraadpleging. In mei 2005 kwalificeerde minister Brink­horst het referendum als ‘een slecht idee’ (de Telegraaf, 18 mei 2005). De afgetreden minister De Graaf noemde het referendum minder geluk­kig, omdat er te veel sentimenten zouden meespelen. Fractieleider Dittrich toonde zich echter positief, maar zei rekening te houden met een mogelijk nee. Hij gaf aan dat ook bij een negatief oordeel D66 de uitslag zou overnemen. De JD voerden actief campagne voor de Euro­pese Grondwet, onder meer door de bus van grondwet-tegenstander Wilders te volgen en in zijn voetsporen hun pamflet ‘Waarom Wilders wauwelt’ te verspreiden.

Oud-partijleider De Graaf zou later de negatieve uitslag als een ‘bles­sing in disguise’ verwelkomen: de burger had opnieuw de alarmbel laten rinkelen over de staat van de democratie in Nederland (Trouw, 8 juni 2005). Van der Ham, één van de initiatief­nemers van het referen­dum, wees er op dat de kloof tussen de burgers die de grondwet afwezen en de politici die voorstander waren feitelijk overdreven werd door de fractiediscipline in de Tweede Kamer: veel Kamerleden zouden er eigenlijk anders over denken.

minister Pechtold

Na zijn benoeming tot minister liet Pechtold regelmatig publiekelijk een van het kabinetsbeleid afwijkend geluid horen. Zo meende hij in sep­tember dat de grote vrees voor islamitische terreur en de nadruk op veiligheid ten koste zou gaan van de integratie van de moslims in Nederland en bovendien de grondrechten van alle burgers teveel onder druk zou zetten (Trouw, 3 september 2005).Zijn collega’s Donner (CDA) en Remkes (VVD) meenden dat Pechtold ‘zich geen zorgen hoeft te maken’ (de Volkskrant, 5 september 2005). In oktober ontstond ophef over de uitspraak van Pechtold dat de regelmatige waarschuwin­gen van premier Balkenende voor mogelijke aanslagen bijdroegen tot doemdenken: ‘we moeten nu eens minder kakelen over terreurdreiging’ (Ons Contact, nr. 3, 2005). De minister betuigde meteen spijt over zijn uitspraken. Het Tweede-Kamerlid W.G.J.M. van de Camp (CDA) vond dat de ‘ijdeltuiterij’ van Pechtold ‘knap irritant wordt’ (NRC Handels­blad, 19 oktober 2005).

Kort daarvoor had Pechtold bovendien in een gesprek met De Tele­graaf, op 8 oktober, de hypotheekrenteaftrek ter discussie gesteld. Hij werd onmiddellijk gewaarschuwd door de premier, vice-premier Zalm en de voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van de VVD, Van Aart­sen, om zich te beperken tot zijn eigen portefeuille en geen onderdelen van het regeerakkoord ter discussie te stellen. Partijleider Dittrich nam het op voor Pechtold en juichte het toe dat ministers zich over verschil­lende onderwerpen uitspraken.

Het najaarscongres op 5 november sprak via twee moties zijn steun uit voor de afwijkende standpunten van Pechtold, met name zijn kritiek op ‘doemdenken’ en ‘gekakel’ over terreurdreiging.

partijcongres 5 november

In de aanloop naar het congres hadden verschillende leden onbehagen geuit over de koers van partijbestuur en fractie, maar op het congres viel daar weinig van te merken. Partijvoorzitter Dales en politiek leider Dittrich riepen in hun toespraken de partij opnieuw op minder beschei­den te zijn. Het moest ‘minder grijs.. en meer agenda­bepalend’, aldus de partijvoorzitter, ‘no more mister nice guy’ (de Volkskrant, 7 november 2005). Dittrich richtte vooral zijn pijlen op het CDA dat in de coalitie ‘door roeien en ruiten’ ging om zijn zin door te zetten (Trouw, 7 november 2005). 

Afghanistan

In december besloot het kabinet in principe 1.100 Nederlandse militai­ren naar Afghanistan te zenden om deel te nemen aan veiligheidsopera­ties van de International Security Assistance Force (ISAF). Deze strijdmacht van de NAVO was op gezag van de Verenigde Naties vanaf 2001 in Afghanistan ingezet om het regeringsleger bij te staan in de strijd tegen opstandelingen en om bij te dragen aan de wederopbouw van het land. De Nederlandse troepen zouden vanaf 2006 in de provin­cie Uruzgan vooral die tweede taak dienen te vervullen. Op 16 decem­ber verklaarde Dittrich dat de Tweede-Kamerfractie ernstige bezwaren zou maken tegen de uitzending van Nederlandse militairen, die zij te gevaarlijk achtte. De D66-bewindslieden Brinkhorst en Pechtold koes­terden zelf twijfels over de missie, maar eerstgenoemde zou het ‘aardi­ger’ gevonden hebben als de fractie haar afwijzing niet meteen naar buiten gebracht had (Trouw, 29 december 2005). De kwestie zou in 2006 nog voor de nodige beroering zorgen.

verwante instellingen en publicaties

De Tweede-Kamerfractie presenteerde op 28 oktober de nota Effectieve terreur­bestrijding van de hand van het fractielid L.W.S.A.L.B. van der Laan en fractiemedewerker Ph. Tijsma, met onder meer het voorstel om in het kader van de terrorismebestrijding de inlichtingen- en veilig­heidsdiensten met het openbaar ministerie, de marechaussee en de Immigratie- en Naturalisatiedienst samen te voegen in een departement van veiligheid. Als tegenwicht zou een ministerie van ‘democratie en rechtsstaat’ moeten dienen. Terrorismebestrijding vergde geen inper­king van de vrijheid van menings­uiting, aldus Van der Laan.

Op 5 december presenteerden Dittrich en zijn fractiegenote mevr. F. Koser Kaya de nota De zekerheid van werk. Hierin stelden zij voor de Centra voor Werk en Inkomen (CWI) en de Uitvoering Werknemers­verzekeringen (UWV) op te heffen en reïntegratie van werklozen en uitkeringen voortaan geheel over te laten aan uitzendbureaus en gemeenten.

Op 6 december verscheen de notitie De Verenigde Staten van Europa. Pam­flet voor een transparante, slagvaardige en toekomstgerichte Euro­pese Unie, van de hand van Dittrich, Van der Laan en europarle­men­tariër mevr. S.H. in ’t Veld. Zij pleitten voor een duidelijk afgeba­kend federaal Europa – afgebakend in geografisch opzicht, maar ook met betrekking tot de bevoegdheden van de federale en nationale over­heden.

In mei publiceerde het Kenniscentrum Verzekering van onze toekomst, een manifest van het Kenniseconomie Platform van D66 waarin een aantal speerpunten voor innovatie van onderwijs en overheid werden geformuleerd. Hoofdredacteurs waren C. de Vries en C. Rutteman, beiden werkzaam in het bedrijfsleven. Zij kregen steun van een vijftigtal partijleden die regelmatig in workshops bijeen waren gekomen. In augustus liet het Kenniscentrum de brochure Destandaardisatie als grondbeginsel. Zorgen voor vernieuwend onderwijs van N. Zwikker het licht zien. Op grond van gesprekken met elf deskundigen bood deze een overzicht van de onderwijsvernieuwing die werd samengevat met de term ‘het nieuwe leren’.  

Op 1 augustus trad E. Dees terug als coördinator van het Kenniscentrum van D66. Zijn functie bleef tot 1 januari 2006 vacant.

De Jonge Democraten (JD) hielden hun voorjaarscongres op 23 en 24 april in Nijmegen, waar onder meer oud-premier A.A.M. van Agt (CDA) in debat ging met oud-D66-leider Terlouw over Europese inte­gratie. Ook Dittrich en Brinkhorst bezochten het congres, dat veel aandacht besteedde aan bestuurlijke vernieuwing. Op 29 en 30 oktober kwam de jongerenorganisatie van D66 in Den Haag bijeen voor haar najaarscongres, dat geopend werd door mevr. M.L. Vos, de oprichter van Alternatief Voor Vakbond (AVV). De JD koos een nieuw bestuur onder voorzitterschap van R. de Vries. De burgemeesters van Den Haag, Rotterdam en Tilburg discussieerden over de problemen van grote steden. De jongerenorganisatie organiseerde samen met de drie noordelijke D66-regio’s op 19 november in Heerenveen het symposium ‘Is er nog een duurzame toekomst?’

De Bestuurdersvereniging van D66 hield op 9 en 10 september haar bestuurders­weekend. Onder andere werd gesproken over de verwach­tingen die de leden ten aanzien van de vereniging koesterden.

De Stichting International Democratic Initiative (IDI) organiseerde diverse projecten voor en vaak ook in samenwerking met zusterpartijen in Midden- en Oost-Europa.

personalia

Op 23 februari overleed H.J. Zeevalking. Hij was staatssecretaris van Justitie geweest in het kabinet-Den Uyl (van 1975 tot 1977), lid van de Tweede Kamer van 1977 tot 1979, partijvoorzitter van 17 oktober 1979 tot 10 september 1981 en minister van Verkeer en Waterstaat in het tweede en derde kabinet-Van Agt van 1981 tot 1982.

Op 17 april overleed J.P.A. Gruijters. Hij was één van de oprichters van D66. In de jaren 1971-1972 was hij lid van de Tweede Kamer. Van 1973 tot 1977 maakte hij als minister van Volkshuisvesting en Ruimte­lijke Ordening deel uit van het kabinet-Den Uyl. Van 1980 tot 1996 was Gruijters burgemeester van Lelystad.

Op 20 augustus overleed een andere medeoprichter van D66, H.J. van Lookeren Campagne. Hij was voorzitter van de partij van 25 november 1967 tot 14 december 1968.

Laatst gewijzigd: 15-02-2013 15:38:19