GroenLinks partijgeschiedenis

Door Paul Lucardie


geschiedenis

GroenLinks (de naam werd tot oktober 1992 niet aan elkaar geschreven) werd op 24 november 1990 in Den Haag opgericht. De partij was het resultaat van de fusie van de Communistische Partij van Nederland (CPN), de Evangelische Volkspartij (EVP), de Politieke Partij Radikalen (PPR) en de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP). Deze vier linkse partijen van verschillende herkomst waren in de jaren tachtig geleidelijk naar elkaar toe gegroeid. Voor de verkiezingen van het Europees Parlement in 1984 en 1989 hadden ze gezamenlijke lijsten gevormd onder de naam Groen Progressief Akkoord respectievelijk Regenboog (kandidaten van de EVP deden in 1984 mee op persoonlijke titel). In 1989 werd (met enige moeite) een gezamenlijke lijst onder de naam ‘Groen Links’ voor de Tweede Kamerverkiezingen inge­diend, waarop een aantal partijloze kandidaten stonden zoals de vakbondsleider Paul Rosen­möller. Ook al vielen met name de resultaten van de Kamerverkiezingen tegen – de vier moederpartijen hadden bij de vorige verkiezingen in 1986 samen slechts 0,8% minder stemmen gehaald dan de lijst-GroenLinks nu –, de vier partijen besloten toch de fusie door te zetten. In 1991 hieven ze zich op. Kleine groepen uit CPN en PSP weigerden zich aan te sluiten en zetten hun partij onder een nieuwe naam voort (als Nieuwe Communistische Partij – NCPN, respectievelijk PSP’92), overigens zonder veel electoraal succes.

De eerste vier jaar werd GroenLinks politiek geleid door Ria Beckers-de Bruijn, die van 1977 tot 1989 voorzitter van de PPR-fractie in de Tweede Kamer was geweest. In 1993 konden de leden een nieuwe lijsttrekker kiezen. Een kleine meerderheid gaf de voorkeur aan het duo Ina Brouwer en Mohamed Rabbae boven Rosenmöller en Leoni Sipkes. Brouwer was van 1982 tot 1986 fractievoorzitter van de CPN geweest, de in Marokko geboren Rabbae was directeur van het Nederlands Cen­trum Buitenlanders. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 verloor Groen­Links een zetel, waarop Brouwer meteen aftrad als fractievoorzitter. Rosenmöller nam haar plaats in. Onder zijn leiding speelde GroenLinks een opvallende rol in de oppositie tegen de ‘paarse’ kabinetten in de jaren negentig en ging het de partij electoraal voor de wind.

In 2002 keerde echter het tij. GroenLinks werd geïdentificeerd met de multiculturele samen­leving – die een groeiend aantal kiezers afkeer inboezemde – en zelfs met de moord op Pim Fortuyn, gepleegd door een dierenactivist die weliswaar geen lid maar wel sympathisant van de partij heette te zijn. Rosenmöller trad in november 2002 als fractievoorzitter af, mede ten gevolge van de be­dreigingen die hij ontving. Het partijcongres koos Femke Halsema tot lijsttrekker voor de ver­vroeg­de Tweede Kamerverkiezingen van januari 2003. Zij was tot 1997 medewerker van het wetenschappelijk bureau van de PvdA geweest, maar in dat jaar overgestapt naar GroenLinks. Hoewel Halsema een sterke indruk in verkiezingscampagnes maakte, kon zij de electorale teruggang in 2003 en in 2006 niet tot staan brengen. Een forse minderheid van de leden maakte bezwaar tegen haar keuze voor ‘vrijzinnig links’, dat wil zeggen: een meer liberale opstelling op sociaaleconomisch èn sociaalcultureel gebied. In 2010 behaalde GroenLinks met tien zetels haar op één na beste uitslag bij Tweede Kamerverkiezingen en nam voor het eerst aan de formatiebesprekingen deel – zij het zonder succes. Halsema nam in december van dat jaar afscheid van de politiek en werd opgevolgd door haar fractiegenote Jolande Sap, die dezelfde koers voorstond. In 2012 werd Sap in de aanloop naar de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen uitgedaagd door fractiegenoot Tofik Dibi. Een overweldigende meerderheid van de leden stemde evenwel voor Sap.

ideologisch-programmatische ontwikkeling

Aan de totstandkoming van GroenLinks was een geleidelijk proces van ideologische toenadering tussen de vier moederpartijen vooraf gegaan. Toch bleven er belangrijke verschillen te overbruggen. De vaststelling van een ‘program van uitgangspunten’ (men sprak niet van ‘beginselprogram’), Uitgangspunten van Groen Linkse politiek geheten, geschiedde dan ook pas in december 1991. GroenLinks sprak zich niet uit voor een bepaalde ideologie, maar richtte zich op vier idealen: democratie, respect voor natuur en milieu, sociale rechtvaardigheid en internationale solidariteit. De partij streefde naar ‘radi­cale democratisering’ van staat en samenleving en naar een ‘internationale, democra­tische en ecologisch gestuurde economie met marktelementen’. Marktmechanismen zouden ondergeschikt moeten zijn aan globale planning, al wees de partij een ‘planeconomie van bovenaf’ en een ‘overheersende rol van de staat in het maatschappelijk leven’ duidelijk af. Op internationaal gebied zou de partij zich inzetten voor een ‘geweldloze vredespolitiek’ en ontbinding van militaire bondgenoot­schappen als de NAVO. GroenLinks zag zichzelf als een zelfstandige politieke stroming, links van de sociaaldemocratie gesitueerd. De partij wees regeringsdeelname niet principieel af, mits ingebed in een radicale hervormingsstrategie.

De vier bestanddelen binnen GroenLinks konden zich allemaal wel in het ‘program van uitgangs­punten’ herkennen: de gewezen leden van de PPR waarschijnlijk het meest, in mindere mate de pacifistisch-socialisten uit de PSP, en de communisten uit de CPN evenals de evangelische radicalen uit de EVP wel het minst. In de loop van de jaren negentig vervaagden de verschillen tussen de stromingen echter. In de verkiezingsprogramma’s verschoof de nadruk geleidelijk van socialisatie en planning naar markteconomie. De overheid zou die markt indirect moeten bijsturen, vooral door de belastingdruk voor een belangrijk deel te verschuiven van arbeid naar het gebruik van energie en grondstoffen en de vervuiling van het milieu.

Daarnaast bleef GroenLinks ijveren voor herverdeling van inkomens en macht, ook binnen bedrijven. Burgers zouden via referendum, volksinitiatief en verkiezing van burgemeesters en commissarissen van de koningin – en liefst ook van het staatshoofd – meer invloed op het bestuur moeten krijgen. Internationale solidariteit bleef een belangrijk thema in alle verkiezingsprogramma’s. GroenLinks pleitte niet alleen voor meer (en betere) ontwikkelingshulp, maar ook voor een liberaler immigratiebeleid en een federaal Europa. Het pacifisme ver­vaagde evenwel in de loop der tijd. Het lidmaatschap van de NAVO leek na 2002 nauwelijks nog een punt van discussie. De partij bleek intern zeer verdeeld over militair ingrijpen in Kosovo (1999) en Afghanistan (2006) – uiteindelijk keurde ze het eerste goed en het tweede af. In 2011 verleende ze echter wel steun aan training van politieagenten in het nog steeds door een burgeroorlog geteisterde Afghanistan.

Onder leiding van Halsema leek GroenLinks nog meer het liberalisme te omhelzen, niet alleen op cultureel en ethisch gebied – de partij was altijd zeer vrijzinnig als het ging om zaken als emancipatie van homo’s, euthanasie en de multiculturele samenleving –, maar ook op sociaaleconomisch terrein. In 2006 stelde het partijcongres, tegen de wens van een belangrijke minderheid in, een verkiezingsprogram vast met eisen als een gedeeltelijk basisinkomen voor werkenden, steun voor kleine en startende ondernemers, kortere ontslagproce­dures zodat ‘outsiders’ betere kansen zouden krijgen, participatiecontracten van werklozen met hun gemeente, en een persoonsgebonden budget voor kinderopvang. Klassiek-liberaal zou men dit programma echter niet mogen noemen, hooguit sociaal-liberaal: de overheid speelde in de visie van GroenLinks nog steeds een actieve en sturende rol, zij het binnen de kaders van de markteconomie. Socialisatie en andere socialistische verlangens zijn echter ver te zoeken; individuen moeten uiteindelijk – zo nodig met hulp van de overheid – in elk opzicht zoveel mogelijk voor zichzelf zorgen. Het verkiezingsprogramma van 2010 week niet veel af van dat van 2006. Het referendum werd echter uit het programma geschrapt.

In 2008 stelde het partijcongres een nieuw program van uitgangspunten vast. Ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid, internationale solidariteit en democratie bleven de belangrijkste idealen, net als in 1991, maar kregen soms een iets andere invulling. GroenLinks verkoos het welzijn van mens en milieu en de respectvolle omgang met dieren boven strikte economische groei. Van economische planning was geen sprake meer, concurrentie en private initiatieven werden zelfs wenselijk geacht om de publieke sector ‘kostenbewust en klantgericht’ te laten werken. Daarnaast kregen openheid, emancipatie en individualisering meer aandacht. De multiculturele samenleving werd niet expliciet genoemd, maar wel ‘een pluriforme, solidaire samenleving’ en ‘een open wereld’.

organisatie

GroenLinks nam bij haar oprichting feitelijk het organisatiemodel van haar moederpartijen over, vooral dat van de PSP. De belangrijkste beslissingen, zoals over de kandidaatstelling voor Eerste en Tweede Kamer en de vaststelling van het verkiezingsprogramma, werden genomen door het congres. Dit orgaan bestond uit afgevaardigden van de lokale afdelingen – al stond het oprichtingscongres dat hiertoe besloot zelf nog open voor alle leden. De macht van de gewone leden was beperkt. Aanvankelijk konden zij wel (per post) de lijsttrekker kiezen, maar in 1997 werd ook deze keuze aan het congres gedelegeerd. Partijbestuur en volksver­tegenwoordigers legden verantwoording af aan het (jaarlijkse) partijcongres en aan de Groen­Linkse Raad, die (minstens) vier keer per jaar bijeenkwam en bestond uit afgevaardigden van de provinciale afdelingen.

In 1992 stelde het partijbestuur een commissie in onder leiding van de socioloog Jan Willem Duyven­dak, die de partijorganisatie aan een onderzoek onderwierp. De commissie stelde vast dat GroenLinks teveel een massapartij probeerde te zijn. De organisatie zou zowel professioneler als democratischer moeten worden. De aanbevelingen van de commissie-Duyvendak werden voor een groot deel uitgevoerd. Lokale afdelingen kregen in 1995 de vrijheid een onbeperkt aantal afgevaardigden naar het congres te sturen, totdat in 2001 de afvaardiging helemaal werd geschrapt en alle leden aan het congres konden deelnemen – mits tijdig aangemeld.

De GroenLinkse Raad maakte plaats voor een partijraad, die nu werd gekozen door lokale afdelingen met mogelijke aanvulling vanuit de provinciale afdelingen. Daarnaast werd een GroenLinks Forum in het leven geroepen, bedoeld om inhoudelijke discussies te voeren. Sinds 2005 konden de leden weer de lijsttrekker kiezen – al gebeurde dat in 2006 en 2010 nog niet aangezien Halsema toen de enige kandidaat bleek te zijn. In 2012 vond voor het eerst sinds 1994 weer een lijsttrekkersverkiezing plaats, waarbij de uitdager Dibi slechts 12% van de stemmen kreeg en fractievoorzitter Sap met 84% van de stemmen gekozen werd. De overige kandidaten werden door het congres aangewezen, waarbij het advies van de door de partijraad benoemde kandidatencommissies in de praktijk veel invloed bleek te hebben.

Formeel kunnen de leden ook volksvertegenwoordigers terugroepen en besluiten nemen via een referendum, maar dit is in de praktijk nog nooit gebeurd. Partijleden kunnen voorts deelnemen aan landelijke werkgroepen en categorale groepen – zoals het Platform voor Evangelie en Politiek, Roze Links (‘homo’s en lesbo’s’), het Feministisch Netwerk en de jongerenorganisatie Dwars.

Het partijbestuur werd in 2006 verkleind (van vijftien tot zeven leden). Daarnaast stelde het partijbestuur in 2005 een strategisch beraad en een permanent campagneteam in. Het strategisch beraad bestond uit vertegenwoordigers van de Kamerfracties, het partijbestuur en het wetenschappelijk bureau, en werd geacht het campagneteam aan te sturen. De partij ging meer gebruik maken van professionele opiniepeilingen, reclamebureaus en wetenschappelijk onderzoek. 

Het ledental daalde gestaag van 15.000 tot krap 12.000 anno 1996, om vervolgens geleidelijk te groeien tot bijna 27.000 in 2012 en weer te dalen naar 22.435 in 2014. Volgens ledenonderzoek in 1992, 2002 en 2010 zijn de leden overwegend buitenkerkelijk, van middelbare leeftijd, hoger opgeleid en veelal werkzaam in (semi-)overheidsinstellingen. Het aandeel van vrouwen is slechts licht gegroeid (van 34% in 1992 naar 40% in 2010), maar in het partijbestuur en de Tweede Kamerfractie zijn ze doorgaans goed vertegenwoordigd, ook al kent GroenLinks geen quotaregeling.

verkiezingen

Het electoraat van GroenLinks schommelde de afgelopen twintig jaar rond de vijf procent. In ‘second order elections’ zoals de verkiezingen voor de gemeenteraden, Provinciale Staten en Euro­pees Parlement deed de partij het doorgaans iets beter dan bij verkiezingen voor de Tweede Kamer. Na de hierboven al vermelde bescheiden start in 1989 – 4,1% en zes zetels in de Tweede Kamer – bereikte de partij een dieptepunt in 1994: 3,5% en vijf zetels bij de Tweede Kamerverkiezingen, en 3,7% en één zetel bij de Europese verkiezingen. Daarop volgde een periode van groei, die een hoogtepunt vond in 1999 met 10,1% bij de Provinciale Statenver­kiezingen en 11,8% bij de Europese verkiezingen. Het leiderschap van Rosenmöller en het politieke klimaat onder de paarse kabinetten boden de partij de gelegenheid kiezers te winnen die eerder PvdA of D66 gestemd hadden. Na de eeuwwisseling sloeg de groei echter om in krimp en leed de partij tot 2009 bij vrijwel elke verkiezing enig verlies. Voor een belangrijk deel wordt dit toegeschreven aan de groeiende afkeer van de multiculturele samenleving – één van de stokpaardjes van GroenLinks – en de toenemende angst voor onveiligheid en verlies van Nederlandse identiteit.

Overigens bleef het verlies bij de gemeenteraadsverkiezingen na 1998 zeer beperkt. Het stijgend ledental en de gemeentelijke herindelingen maakten deelname voor GroenLinks in veel gevallen gemakkelijker. Het aantal wethouders nam ook na 2000 nog toe (15 in 1990, 36 in 1998, 44 in 2002, 94 in 2006 en * in 2010), wat echter eerder een indicatie lijkt van ‘ingroei’ van GroenLinks als bestuurderspartij dan van electorale groei.

De samenstelling van het GroenLinkse electoraat is in de loop der tijd weinig veranderd. In 1989 evenals in 2010 waren vrouwen, onkerkelijken, stedelingen en hoger opgeleiden dui­delijk oververtegenwoordigd. Jongeren waren in 1989 ook oververtegen­woor­digd, maar in 2010 deed GroenLinks het relatief het beste onder kiezers van middelbare leeftijd (45-65 jaar). Dat viel niet alleen toe te schrijven aan de vergrijzing van de trouwe kiezers uit 1989, maar ook aan het feit dat Groen­Links jongere kiezers verloor en oudere won. De meest opvallende verandering betreft de sociaaleconomische positie van de GroenLinks-kiezers. In 1989 won de partij relatief de meeste aanhang in de laagste inkomenscategorieën, in 2010 juist in de hoogste. Deze ver­andering hangt ten dele samen met de genoemde leeftijdsverschuiving – ouderen verdienen gemiddeld meer dan jongeren –, maar waarschijnlijk ook met verlies van kiezers in de arbeidersklasse. GroenLinks verloor dan ook vooral kiezers aan de PvdA en (met name in 2006) aan de SP, die waarschijnlijk de maatschappelijke belangen van deze groep in hun ogen beter konden behartigen. Veel kiezers zagen GroenLinks toch als een partij die zich vooral richt op milieubeleid en multiculturalisme en minder op sociaaleconomische vraagstukken.    

slot

GroenLinks kan getypeerd worden als een moderne kaderpartij, al heeft ze gezien haar ledengroei en organisatiemodel ook wel kenmerken van een (kleine) massapartij. Ze spreekt vooral postmaterialistische kiezers aan die – zoals de term impliceert – zich niet meer veel zorgen maken over hun materiële omstandigheden, maar meer over het milieu, vrijheid en democratie, het droeve lot van asielzoekers en de armoede in de Derde Wereld. Kaderleden genieten vrij veel invloed, al is de partij sterk geprofessionaliseerd. GroenLinks schuwt anno 2012 bestuursverantwoordelijkheid niet en neemt met name in grote en middelgrote steden regelmatig deel aan het gemeentebestuur. Deelname aan een regeringscoalitie leek in 2006 en 2010 tot de mogelijkheden te behoren, in 2012 wellicht ook….

_____________________________________________________________________

[1]Regenboog lijst van CPN, EVP, PPR en PSP.

[2]Het totaal aantal Statenzetels was in 2007 verlaagd van 764 naar 564

 
Laatst gewijzigd: 1 15-09-2014 12:36:14