Gemeenteraadsverkiezingen 1994

Uit: J. Hippe, P. Lucardie en G. Voerman, 'Kroniek 1994. Overzicht van de partijpolitieke gebeurte­nissen van het jaar 1994' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 1994 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1995), 14-91, aldaar 16-19.

gemeenteraadsverkiezingen 1994

Op 2 maart werden 622 gemeenteraden opnieuw gekozen. In veer­tien gemeenten vonden wegens herindeling de verkiezingen op een andere dag plaats. De opkomst lag met 65,3% iets hoger dan in 1990, ondanks sombere voorspellingen van opiniepeilers. De Leidse hoogleraren politicologie R. Andeweg en G. Irwin ver­klaar­den de iets hogere opkomst uit de grotere deelname van ex­treem-rechtse partijen, die in 1990 slechts in negen maar nu in 52 gemeenten kandidaten stelden (de Volkskrant, 9 maart 1994). Daardoor konden die par­tijen in 1990 thuisgebleven aanhangers naar de stembus lokken, maar stimuleerden ze wel­licht onbedoeld ook de opkomst van hun tegenstanders. Meer dan in 1990 namen allochtonen deel aan de verkiezin­gen. Marokkanen werden daarbij deze keer door hun koning aangemoedigd te gaan stemmen, die hen bij vorige gele­genheden juist ontmoedigd had.

Een andere oorzaak voor de hogere opkomst zou kunnen liggen in de Tweede-Kamerverkiezingen van mei, die als het ware hun schaduw vooruit wierpen en de algemene politieke belangstel­ling bevorderden. Voor sommige politici begon de verkiezings­campagne in januari en eindigde die pas met de Europese ver­kiezin­gen in juni. De al lang bestaande tendens, raadsverkie­zingen te zien als een opiniepeiling voor de landelijke poli­tiek, werd hier­door nog versterkt. Daartegen ontstond echter ook een reactie, die juist meer aandacht voor de lokale poli­tiek vroeg. In tal van grote en kleine steden waren lokale 'stads­partijen' opgericht, die opvallend veel succes behaal­den. In het verleden kwamen lokale partijen voornamelijk in dorpen en platte­landsgemeenten voor - en dan vooral in Brabant en Limburg - maar nu drongen ze door in de gemeenteraden van Arnhem, Assen, Enschede en Rotterdam. Soms werden ze geleid door (oud-)leden van landelijke partijen; zo kwamen bijvoor­beeld de lijsttrekkers van de Stadspartij Heerlen, Leef­baar Hilversum en de Stadspartij Rotterdam uit de PvdA. In andere gemeen­ten trokken lokale partijen aandacht door bekende perso­nen buiten de politiek op hun lijst te plaatsen; in Assen bijvoorbeeld won de Politiek Logisch Oprechte Partij (PLOP) vijf zetels mede dank zij haar 'lijstduwer', de oud-wereld­kampioen schaatsen Hilbert van der Duim.

De meeste lokale partijen richtten zich op het belang van stad of gemeente - de Fryske Nasjonale Party (FNP) op het belang van Friesland en de Friese taal - maar sommige beperkten zich tot bepaalde doelgroepen in de gemeen­te. Zo wonnen in Delft en Groningen studentenpartijen een zetel in de raad, terwijl in Tilburg, Maastricht, Hengelo en Eindhoven ouderenpartijen met succes deelnamen. In de laatste twee gevallen wierpen echter opnieuw de Tweede-Kamerverkiezingen hun schaduw vooruit en waren de gemeente­raadsverkiezingen ook bedoeld als test-case of de partijen in kwestie - het Algemeen Ouderen Verbond (AOV) en de Politieke Unie 55+ (PU55+) - de sprong naar de landelij­ke politiek zouden wagen. Datzelfde gold eigenlijk ook voor enkele andere nieuwe partijen, zoals het door oud-vakbondslei­der J. van de Scheur opgerichte Solidair'93, de op transcen­dente meditatie gerichte Natuurwetpartij en in mindere mate voor de Nieuwe Communisti­sche Partij Nederland (NCPN) en De Groenen. Genoemde vier partijen slaagden er wel in zetels te winnen in één of meer gemeenteraden - de NCPN won zelfs de meerderheid in de Groningse gemeente Reiderland - maar zouden uiteindelijk toch niet de Tweede Kamer bereiken (zie tabel).

De successen van de lokale partijen kostten de landelijke partijen natuurlijk zetels. De grootste verliezers waren CDA en PvdA, die daarmee ongetwij­feld de prijs betaalden voor hun vaak impopulaire regeringsbeleid. De oppositiepartijen VVD, D66 en GroenLinks behaalden winst, zij het niet overal. Zo verloor D66 een zetel in Amsterdam en GroenLinks in Gronin­gen en zelfs twee zetels in Amersfoort, terwijl de VVD twee zetels verloor in Oegstgeest. In Utrecht werd D66 de grootste partij, onmiddellijk gevolgd door Groen­Links en op enige afstand door de PvdA. In Amersfoort vormde D66 de grootste fractie in de raad, in Den Haag de VVD. De Democraten hadden nu in 405 gemeenten lijsten ingediend, bijna tweemaal zoveel als in 1990.

De protestants-christelijke partijen boekten over het algemeen ook winst, al dan niet in combina­tie. De RPF groeide het meest, terwijl de SGP soms zetels moest inleveren. De grootste winnaars waren echter de Socialistische Partij (SP), die haar zeteltal bijna verdubbelde (zie over de SP ook de bijdrage van P. van der Steen elders in dit Jaarboek); en vooral de Cen­trumdemocraten (CD), die hun zeteltal verzeven­voudigden. De andere extreem-rechtse groeperingen, Centrumpartij'86 (CP'86) en het Nederlands Blok - dat als een afsplitsing van de CD beschouwd kan wor­den - boekten een iets bescheidener winst.

Sommige gekozen Centrumdemocraten en CP'86-leden zouden echter hun zetel niet innemen of zouden hun partij verlaten omdat die niet aan hun verwachtingen beantwoordde; hierbij speelde sociale druk wellicht ook een rol.

Vergeleken bij 1990 steeg het aantal vrouwelijke raadsleden licht van 2387 (21,6%) naar 2475 (22,4%). Het aantal allochto­nen nam relatief iets meer toe, van 47 (0,4%) naar 65 (0,6%) .

In enkele gemeenten werden onregelmatigheden geconstateerd, zoals het ronselen van volmacht­stemmen. In de Limburgse ge­meenten Thorn en Voerendaal werden lokale politici hiervoor beboet. In Geldrop moest een wethouder aftreden toen bleek dat hij het gemeentelijk adressenbe­stand had gebruikt om jonge kiezers te werven voor zijn lokale partij.

Bij de onderhandelingen over de colleges van burgemeester en wethouders werden raadszetels niet altijd vertaald in wethou­dersposten. Zo bleven ook in 1994 CDA en PvdA overtegenwoor­digd in de colleges, zij het minder dan in 1990; van de in totaal 1813 wethouders behoorden 541 tot het CDA en 353 tot de PvdA. De VVD werd eveneens goed bedeeld - anders dan in 1990 - met 319 wethouders. D66 en GroenLinks bleven met 123 respec­tievelijk 25 wethouders ondervertegen­woordigd, evenals de onafhankelijke lokale partijen (ook al kregen deze toch 346 wethouders). De protes­tants-christelij­ke partijen konden redelijk tevreden zijn met hun 71 wethouders.

Wegens gemeentelijke herindelingen (in feite fusies) vonden tussentijdse raadsverkiezingen plaats in Noord-Beveland en Tholen op 9 november en in Sluis op 30 november. In Noord-Beveland werd het CDA de grootste partij, in Tholen de SGP. Het AOV en D66 behaalden in Tholen voor het eerst elk een zetel. In Sluis werd de VVD de grootste partij, terwijl CDA en PvdA verlies leden.

tabel uitslag gemeenteraadsverkiezingen 1994 (in zetels)

 

  1990

  1994

 CDA

  3515

  2741

 PvdA

  2281

  1761

 VVD

  1485

  1720

 D66

   663

   981

 GroenLinks

   300

   380

 SGP

   197

   179

 SP

    70    126

 RPF

    48     79

 CD

    11     78

 GPV

    61

    65

 FNP

    27

    39

 NCPN (in 1990: VCN)

     1     10

 CP'86

     4

     9

 Groenen

     3

     4

 AOV

     -

     5

 PU55+

     -

     5

 Solidair'93

     -

     3

 Natuurwet­par­tij

     -

     1

lokale christelijke lijsten

   264

   332

lokale progressieve lijsten

   262

   272

onafhankelijke lokale partijen

  1869

  2282

overige in 1990

    10

    -

 totaal

 11071

 11072

 

Bron: Verkiezingsstatistiek gemeentera­den 2 maart 1994; Cen­traal Bureau voor de Statis­tiek.

N.B.: De FNP en het AOV worden in de CBS-publikatie tot de onafhanke­lijke lokale partijen gerekend, maar zijn hier afzon­derlijk vermeld. Het aantal raadszetels is in de periode 1990-1994 met één toegenomen.

Laatst gewijzigd: 1 29-06-2012 11:08:55